Nog één muntje in de grijpautomaat
Ik begin met een vraag: wie denkt er dat dit de werkelijkheid is?
Ik denk dat dit de werkelijkheid is. De mensen die ik voor mij heb zijn de werkelijkheid; de vloer van deze ruimte; mijn stem door de microfoon. Tegelijkertijd ook: dingen die we vanaf hier niet kunnen zien of horen, alle schoonheid en verschrikking die zich elders in de wereld voltrekt, op dit moment, openlijk of in het geheim. En de werkelijkheid is ook, nu, ik bedoel nu, wanneer ik dit schrijf: een februari-avond in de bibliotheek in Utrecht, kruimels op tafel van degene die mij hier voorging, mijn ploeteren om tot een zinnig verhaal te komen. En ongetwijfeld is het ook, of vooral, heel veel dat ik niet weet of kan begrijpen, gezien de beperkingen van mijn mensenzintuigen en mensenverstand.
Het is denk ik vanwege wederom een soort menselijke neiging dat ik dat toch steeds blijf willen: het begrijpen, duiden, het kunnen vasthouden, weten waar ik mee te maken heb. In de context van die wens voelt de taal als een speciaal gereedschap. Of het nu in geschreven, gesproken, gezongen of klankgedicht-achtige vorm is, in woorden die al veel langer bestaan dan ik of in woorden die niet meer of nog niet bestaan – er gaat een betovering uit van de poging om via de taal dat ongrijpbare tóch te grijpen, zelfs al heb ik op voorhand een vermoeden dat het niet kan. Als een soort grijparm van de kermis – het hoort bij het spel dat je vrijwel nooit precies het ding gaat optakelen dat je voor ogen had, als je überhaupt al iets vangt.
Dat is hoe ik schrijven ervaar: als een aanhoudend streven naar iets dat openlijk onmogelijk is, een spel tussen mens en werkelijkheid waarbij de werkelijkheid de schrijver constant uitdaagt met dingen die niet in woorden kúnnen bestaan, en de schrijver en de taal die uitdaging gezamenlijk aangrijpen door het dan toch te blijven proberen. Abrikozenbomen bestaan, abrikozenbomen bestaan, zo opent Inger Christensen haar bundel Alfabet. Zij heeft volgens mij bijzonder vaak raak gegrepen, en dat zit, vermoed ik, in de gelijktijdige erkenning van een simpele alledaagsheid en het grillige tegenovergestelde – op dezelfde bladzijde waarop ze over waterstofbommen schrijft, schrijft ze over bedenken of je wel of geen zout bij de aardappels hebt gedaan. Ze slaagt in een reconstructie van iets heel echts op een manier waartoe ons begrip nauwelijks in staat is, namelijk het laten bestaan van alles tegelijk.
Het is alsof de taal zelf probeert te worden wat ze beschrijft. Het meest houd ik van teksten die dat spel radicaler spelen dan op enkel het vlak van inhoud; bijvoorbeeld wanneer een ritmische keuze of een vormexperiment of een leesteken ineens een kern van iets spiegelt. Ondertussen blijft die versmelting van het schrijven en het beschrevene ook bijna altijd onvolmaakt, want taal heeft (behalve misschien in het geval van onomatopeeën of klankgedichten) een andere verschijningsvorm dan dat waarnaar ze verwijst. Maar voorbij die poging tot iets onmogelijks ligt een tweede kern, namelijk dat alles wat er wel ontstaat – ook in het misgrijpen – zowel mij, de schrijver, als de werkelijkheid een nieuwe impuls en richting geeft, iets ouds bevraagt, een nieuwe werkelijkheid uitvindt die dan vervolgens weer aan hetzelfde spel onderworpen kan worden, waarna er weer een schrijver een nieuwe werkelijkheid tot leven brengt, en weer een schrijver, en weer een werkelijkheid, et cetera, et cetera. De beweging die in dat proces ontstaat, weerhoudt zowel de taal als de menselijke geest als de werkelijkheid ervan om vast te roesten tot iets statisch, iets plechtigs, tot strenge serieuze dingen.
De invloed van die beweging op de fysieke wereld is beperkt: hoewel de taal vrij goed naar dingen kan wijzen (en daar ook een verantwoordelijkheid in heeft), is het woord ‘oorlog’ net zomin werkelijk oorlog als dat het woord ‘oplossing’ een oplossing kan zijn. Je zou de taal in dat opzicht machteloos kunnen noemen. De poëzie gaat niet de wereld redden, maar uiteindelijk moet dat ook niet haar functie zijn, denk ik; om de wereld te redden moeten we ook andere dingen doen dan schrijven. Binnen wat het schrijven wel kan wil ik pleiten voor een taal van verbeelding en aandacht en humor en nuance, omdat ik denk dat de meeste dingen en mensen daar tenminste iets beter van worden. Bovendien is er ook heel veel in de wereld dat wel buigzaam en veranderlijk en tegenstrijdig en absurd is – om niet te zeggen, onwerkelijk – vooral wanneer je er met verbeelding, aandacht, humor en nuance, van heel dichtbij of met veel herhaling naar kijkt. De constellatie van de kruimels op de tafel in de bibliotheek waarin ik deze tekst schrijf, bijvoorbeeld, deze tekst zelf, teksten in het algemeen, alleen al het woord tekst: tekst tekst tekst tekst tekst tekst tekst tekst tekst tekst tekst tekst tekst tekst tekst tekst tekst tekst tekst tekst tekst tekst tekst tekst tekst. Klinkt een beetje als een printer.
Literatuur is een opeenstapeling, en belichaamt een ideaal van pluraliteit, veelvoud, promiscuïteit, schrijft Susan Sontag in haar speech The Conscience of Words. Het is nu eind februari, het is nu begin april. Er is schoonheid en er is verschrikking. De literatuur ontkracht de kaders van begrijpelijkheid die mij, hoewel in veel situaties functioneel, ook beperken in mijn opvatting van wat er kan bestaan. Een beschrijving van iets dat niet of nog niet is gebeurd, of misschien ook nooit zal gebeuren, kan even belangrijk en interessant zijn als een beschrijving van iets dat wel al is gebeurd, of van iets dat nu aan het gebeuren is. De verbeelding en de herinnering zijn min of meer hetzelfde: de herinnering is een verbeelding van iets dat al gebeurd is, de verbeelding een herinnering aan wat nog komt. En soms gebeuren er ook dingen die ik me niet kan voorstellen – de literatuur herinnert mij aan al die mogelijkheden. Door te schrijven ontmoeten zij elkaar in de ruimte van een mensenlichaam, de ruimte van een papier of voordracht, van een specifiek woord.
Ieder woord (of misschien zelfs iedere letter) representeert die pluraliteit, die opeenstapeling: via een etymologie en een levensloop, waarmee het zich relateert aan andere punten in de tijd en andere plaatsen op de wereld. Woorden zijn belichamingen van een herleidbare geschiedenis, en de keuze voor een woord is de keuze voor het belichten van een specifiek fragment van de werkelijkheid. Die veelheid, gelijktijdigheid en daarmee neiging tot paradox zijn de kern van de werkelijkheid en van geslaagde literatuur, denk ik, maar moeilijk te verdragen voor de menselijke geest (althans de mijne). Ik oefen mezelf, via het schrijven, via het proberen-begrijpen en het willen-weten, om dingen niet te begrijpen en niet te weten.
Ook nu voel ik die paradox; dit stuk is een conclusie, een poging om ergens iets over te zeggen, terwijl een conclusie ook een van de dingen is die, naar ik vermoed, juist alleen in woord bestaan, en niet in de werkelijkheid. Het voelt als een belangrijke opdracht om de paradox in stand te houden. Daarmee wil ik niet impliceren dat het een slecht idee is om je uit te spreken, of dat er niets absoluuts bestaat; absoluut zijn denk ik nieuwsgierigheid en aandacht en niet-weten en wel blijven proberen. Net als alles is ook deze tekst het resultaat van een aaneenschakeling pogingen met de grijpautomaat van de kermis; ik gooi er nog één muntje in, en wanneer ik die heb uitgespeeld gaat de bieb dicht en noem ik dit stuk af. Aan het eind, voor wanneer ik hem op een podium lees, schrijf ik dan nog: dankjulliewel om te luisteren, dan heb ik zo nog een aantal teksten die ik zal voordragen.
Dankjulliewel om te luisteren, dan heb ik zo nog een aantal teksten die ik zal voordragen.