De poëtica van Luna Schuddinck

Vers van het Mes

Datum 25 juni 2026

Op 3, 4 en 10 april traden de dichters van de vierenveertigste editie van Vers van het Mes op in Gent, Brussel en Amsterdam. Anne Ballon, Madelief Lammers, Myrthe Prins en Luna Schuddinck schreven voor dit programma een poëtica, waarin zij hun standpunt als dichter onderzoeken. Luna Schuddinck maakte van haar voordracht een ritueel.

Wees gegroet, bewakers van de wachttorens van het Oosten,
Machten van de lucht!
We roepen u aan en noemen u,
Gouden arend van de dageraad,
Sterrenzoeker,
Wervelwind,
Rijzende zon,
Kom!
Door de lucht die hun adem is,
Stuur uw licht uit,
Wees hier nu!

[Wicca-spreuk voor het openen van de cirkel en het aanroepen van de windrichtingen]

          Lichtroze, muntgroen. Als masterstudent literatuurwetenschap leerde ik de architectuur van de Nederlandstalige poëzie uit mijn hoofd aan de hand van steekkaarten in twee kleuren. Op de roze kaarten schreef ik de vertegenwoordigers van de autonome poëzie, denk Hans Faverey. De groene waren voor alle anderen: natuurlyriek, romantiek en maatschappijkritiek - zij die zich om een werkelijkheid bekommeren, of dat nu het politieke plan dan wel het innerlijk van de dichter betreft.

          Die duale kleurenziendheid werkte misleidend. Het deed me geloven dat wie wil deelnemen aan de poëticale sport, kamp moet kiezen. Een onafhankelijke poëzie wordt al gauw onverschillig. De andere tak louter instrument: een thermometer voor de wereld buiten het gedicht. Vandaag wijs ik die valse tegenstelling af. Ik wil met én weg van de wereld kunnen schrijven. Ik wil een gedicht als ritueel.

 

Roos van eeuwig leven,
breng ons een interval van gulle slag, tussen voor
en altijd, in blik van stem,
om wie we mankeren, om wie we mankeren. Och leven

lengt zo onbekommerd, mengt ondergrond
weer met contrastkleur. Het gebeurt.
Zoals een woord
waarvan de randen wit wegtrekken.
Trekt ook hij van ons weg en werpt
zich zo halsbrekend op tot naamdag, relikwie.

 

          Mijn gedichten mogen ornamentele taal opvoeren, volrond declameren, schuin verwijzen, cryptisch suggereren of zelfs halsstarrig zwijgen. Net als rituelen communiceren ze dwarse taal. Net als rituelen willen mijn gedichten toch ook stevig geworteld zijn in de wereld, in mensenlevens en gemeenschappen. Het is alledaagse poëzie, maar niet doordeweeks. Het is taal in zondagskostuum. Mijn poëzie wil worden opgevoerd, niet als dinggedicht, maar als gebed en bedverhaal. Voor of na de maaltijd, voor het slapengaan, bij het altaar.

 

          De Amerikaanse dichter CA Conrad creëerde somatische poëzierituelen om mensen te helpen helen van trauma of liefdesverdriet, maar vooral van writer’s blocks. In een van hun rituelen draagt die de lezer op om onder de douche te stappen, en zich in te beelden dat die zich van kop tot teen inzeept, zich vervolgens grondig schrobt, achter de oren, onder de oksels, tussen de tenen, totdat al het vuil van het leven is verdwenen. De lezer-schrijver krijgt de opdracht om daarna de douchecabine weer uit te stappen en zich helemaal af te drogen, ook al is de lezer natuurlijk al droog, voor de spiegel te gaan staan en te schreeuwen, daarna te lachen. Na het voltooien van dit ritueel dient de lezer in een andere kamer notities te gaan maken voor een gedicht.

 

          Conrad helpt lezer-schrijvers als het ware de muze aan te roepen, door middel van een ‘game of Make Believe’. Via verbeelding komt de participant zo dicht mogelijk bij de werkelijke ervaring van een reiniging, zonder dat er zelfs maar water aan te pas moet komen. Net als in andere rituelen wordt er op die manier gepingpongd tussen nabijheid en afstand, bevreemding en verbinding. Zulke processen rondom het gedicht laten zich relatief gemakkelijk als ritueel begrijpen. Conrad heeft het over het schrijfproces zelf, maar denk ook aan declamaties op pleinen, slampodia of begrafenissen, of aan de vele transacties, taxaties en gesprekken die het gedicht doen circuleren in de bredere rituele praktijk van het poëziebestel.

 

          Mijn poëtica wil echter het gedicht zélf als ritueel verstaan. Zoals je het douchehokje moet binnenstappen om het ritueel uit te voeren, moet je ook het gedicht binnenstappen om het te kunnen ontvangen. Het gedicht is een rituele ruimte zoals een maancirkel dat is: daarbinnen gelden andere wetten. Wat wel overeenkomt met de manier waarop Conrad het douchen beschrijft, is dat ik in een gedicht alle kwaliteiten van een ervaring, bijvoorbeeld een gloedvolle nacht met een geliefde, probeer op te roepen, en de lezer zo wil engageren. Vervolgens gooi ik al die kwaliteiten door elkaar tot er een andere, ultiem vreemde ervaring ontstaat. Ook de basisingrediënten van een ritueel zijn relatief herkenbaar: een kaars, een kristal, een verzwaarde stem. Maar wanneer deze worden opgenomen in de symboliek van het ritueel, ontstaat er een heel nieuwe sfeer. De kaars is niet langer een kaars, het is het levenslicht dat ons de weg zal leiden. Het kristal vertegenwoordigt innerlijke wijsheid, en de stem is niet meer de mijne – het is de godin die door me heen spreekt. 

 

dit is alles geweest: 1 kleerscheur, kleingeld, een zweveling van schemering
en de dichter in zijn avondkleed onder de pergola
(herfst) een ansichtkaart aan toekomende herinneringen. de rennende
doggen voor de dorst van hierboven, the old songs, dat het me te blauw wordt

 

          Rituelen zijn min of meer gesloten handelingscircuits, die een verandering kunnen teweegbrengen in een persoon, een groep, of een omgeving. Ook gedichten brengen veranderingen teweeg, door in hoofden te blijven spoken, de dingen in een ander licht te zetten, of emoties te helpen verwerken. Een wezenlijk verschil is wel dat rituelen vaak ten opzichte van of samen met anderen worden uitgevoerd, terwijl gedichten meestal in eenzaamheid worden ontvangen. Toch valt een gedicht ook als handeling te denken. Niet alleen bestaan gedichten bij de gratie van handelingen (het schrijven, het redigeren, het drukken, het lezen, het zich herinneren,…), het is ook op zichzelf een handeling - een taalhandeling. Net als rituelen hebben mijn gedichten de intentie een bepaalde interne toestand in de lezer of aanhoorder te veroorzaken. Wat zijn taalhandelingen anders dan magie? Magische spreuken wenden woorden aan om iets op te roepen dat verder gaat dan kennis van het bestaande. Mijn gedichten willen onder meer een alternatieve politiek oproepen: een politiek van radicale verbinding met menselijke en meer-dan-menselijke entiteiten. Spreuken is spreken, een spell kan je ook spellen, poëzie als geschreven magie kan werkelijkheden evoceren en verschuiven.

 

          Als een gedicht een taalhandeling is, is het ook een taalspel. Om te kunnen participeren dien je de regels van ritme, rijm en metrum, van stijlfiguren en beeldspraak te kennen. Weliswaar pretenderen mijn eigen gedichten dissident te zijn: ze houden zich niet bezig met regels rond versvoeten, niet eens met genreconventies. Ze manoeuvreren tussen proza, poëzie of zelfs theatertekst. Toch steunen ze voor hun werkingskracht wél op een vertrouwdheid van de lezer met de regels. Die willen ze uitdagen door af en toe toch te rijmen, door hyperbool en parabool af te wisselen met de non sequitur. De theatraliteit van mijn gedichten wordt precies mogelijk door de regelgevoeligheid van de lezer. Die regelgevoeligheid keert terug in het ritueel.

                                        hoe een goede erfgenaam te zijn?

een spook waart door dit stanza - een koppel jong en betrekkelijk manisch beklimt een skipiste in de verzengende hitte van januari terwijl boven hun hoofden de chemtrails - laten zij zich niet verleiden door de kosmopolitiek, nee, zij bestijgen haar! zij strammen de kuiten om met eigen ogen te zien: de sporen, de felbegeerde bergtop met sneeuw bedekt nog volgens grootmoeders recept. om te zien wie daar speelt in de sporen van ‘t verval.

 

          Ook het belang van symbolisme heeft het ritueel met het gedicht gemeen. Poëzie genereert een ander soort betekenis dan descriptief taalgebruik. In een goed gedicht is geen enkel woord gratuit. Het spook dat dood en verval representeert, het beeld van het pad, of bepaalde kruiden en kleuren leggen met een enkele zegging een semantische goudmijn bloot. Dit werkt pas doordat gedichten zich inschrijven in een traditie, zoals ook rituelen gebruik maken van elementen uit religieuze of folkloristische tradities. Denk voor poëzie aan de klassieke vadermoord, waaraan elke generatie dichters zich schuldig maakt. En is er een ander literair genre dat met evenveel schwung archaïsmen opvoert?

 

          Het gedicht is dus altijd ook collectief. Er kan natuurlijk samen geschreven en gelezen worden, maar zelfs wanneer een gedicht in eenzaamheid ontstaat of wordt ontvangen, is het onvermijdelijk een uitwisseling tussen verschillende actoren. De schrijver, de inkt en het blad, de uitgever, de bredere cultuur, de ingebeelde en effectieve lezer, en niet te vergeten alle stemmen uit de traditie, nemen allemaal deel aan het spel. Een verschil met concrete rituelen is dat de deelnemers van poëzie niet gelijktijdig in de rituele cirkel stappen. Toch zou je kunnen zeggen dat een lezer, wanneer binnen de cirkel, zich verhoudt tot de schrijver van het gedicht, ook al is die schrijver op dat moment zelf niet met het gedicht bezig. Hier zijn dus verschillende tijd-ruimtedimensies aan het werk. 

 

          De collectieve dimensie wordt misschien nog het duidelijkst in het performance-gehalte van het ritueeldicht. Als transformatieve gebeurtenis hebben rituelen historisch een sterke band met het theater. Ze spelen een spel met maskers, onthullen en verhullen. Ook mijn gedichten willen gebeurtenis zijn – ze willen worden gedeclameerd en bezongen. Regels moeten worden herhaald, herhaald, om te kunnen bezweren.

het best bewaarde geheim van feminisme: dat de revolutie wel seksueel was maar niet echt een revolutie - de onvoltrokken ontketening van de pin-upgirl.

het best bewaarde geheim van het geheim: achter de sluier, de woestijn.

 

Of ook wel:

 

onder de verschijning: de verschijning. ze wil niet worden blootgelegd, ze wil worden vastgehouden.

 

          Ritueeldichten handelen onvermijdelijk tegen een politieke horizon. Ten eerste zijn ze altijd al ingebed in een politiek stelsel, ten tweede kunnen ze ingezet worden als helingspraktijk. Maar gedichten zijn ook politieke games of Make Believe. Twee jaar geleden vond hier het gedenkwaardige programma ‘Opening, Vluchtlijn, Visioen’ plaats, waarin het woord ‘visioen’ werd gebruikt om het politieke potentieel van poëzie mee uit te drukken. Gedichten als ritueel bieden de ruimte om dat visioen te laten verschijnen. John Searle had het over de ‘hermeneutische cirkel’: alles wat zegbaar is in taal, bevindt zich al in de cirkel. Of, met Wittgenstein, ‘de grenzen van mijn taal zijn de grenzen van mijn wereld’. Poëzie kan die cirkel onder stroom zetten, de grenzen verleggen, met een apostrof een buiten aanspreken.

 

          In datzelfde programma zei Maxime Garcia Diaz iets als ‘Een gedicht schrijven is geen gebouw kraken’. Daarop antwoord ik: gedichten kunnen doen alsof ze een gebouw kraken. Gedichten kunnen spelen dat ze een politiek protest zijn, of spelen dat de gedroomde alternatieve samenleving al bestaat. Omdat dat wat binnen de rituele cirkel wordt gezegd sterk geladen is, en woorden magische krachten hebben, is dit spelen ook een toveren. Zoals de hypochonder zich ziektes inbeeldt tot die echt ziek wordt, kan de dichter in taal een gezonde politiek verbeelden. Eentje waarin sociale en ecologische rechtvaardigheid het fundament is. Over haar effectieve impact hoeft de poëzie zich volgens mij niet al te veel zorgen te maken: aangezien ze een andere taal spreekt dan statistieken en redelijke argumentatie, bevindt haar effectiviteit zich buiten elke vorm van bewijsbaarheid. En alleen al hierdoor, als objectief onproductief en inefficiënt, vallen gedichten te lezen als een aanklacht tegen de zieke productiviteitscultuur. Zoals een religie zich binnen de kerk idealiter niet laat kooien door de wetenschap of de economie, kunnen dichters binnen de rituele cirkel van het gedicht naar hartenlust verbeelden, en na de werkuren een huis gaan kraken.

 

O! U kneden als een kruidnoot tot U naar onweer smaakt, tot U het ook voelt: de kogels of vogels geschoten door iemands lieve helden en bij ons komt in het hart, het goede hart van de geschiedenis.

 

          Dit is wat de poëzie volgens mij vermag, als ritueel en politiek spel van verbeelden. Zo is het ook met mijn poëzie. De gedichten die ik tot op vandaag heb geschreven doen alsof ze al rituelen zijn. Ze prevelen ornamentele regels. Met of zonder apostrof roepen ze andere stemmen aan: uit de traditie van de poëzie, religie, folklore of filosofie. Ze grijpen symbolen aan, spelen spreukgewijs, maar welgemikt, met klank en rijm. Ze spelen een spel met afstand en nabijheid: trachten het magische, metafysische en utopische tastbaar te maken aan de hand van de anekdotiek van lammeren, kruidnoten of het Muntplein. Ze zijn theatraal, maar moeten die theatraliteit ook onophoudelijk offeren om betekenis te laten verschijnen.

 

          Emily Dickinson schreef: Tell all the truth but tell it slant. Zo spreekt mijn poëtica uit mijn gedichten: slantwise, schuin. Mijn gedichten verhouden zich tot het ritueel als limietpunt. Door ze neer te schrijven werp ik de gedichten in een beweging van doen alsof naar effectief ritueel-zijn. Mijn gedichten zigzaggen die richting uit, trachten zich los te zingen van het ééndimensionale blad, tot ze handeling, ruimte, tot ze alternatieve werkelijkheid worden.

 

          Vandaag sta ik hier dus niet met een begeleidende tekst, maar met een ideaal, zoals het een jonge dichter betaamt. Mijn poëzie valt nog niet een-op-een samen met mijn poëtica. Ik weet al wel hoe ik als dichter wil worden herinnerd: als purple poet, als maniërist in een ritueel gewaad. En vooral ook niet alleen, maar als ingebed in een traditie van dichters, priesters en andere kunstenaars. Als kind van een tijd die een visioen ontvangt. Dat tafereel moeten mijn gedichten spelen, en ik zal de trom slaan.

 

je droomt van een vluchthuis dat niet naar olie geurt,
a kind of being without buying

nachtrust wordt waakstand à la mer
comme à la mer – een uiltje
met één oog open

© Annie Boedt

Luna Schuddinck (2002) is schrijver en poëzieredacteur bij Deus ex Machina. Na een master te hebben behaald in de Vergelijkende Moderne Letterkunde, rondt ze momenteel nog haar filosofieopleiding af met een thesis over religieus symbolisme bij Jean Baudrillard. In 2024 ging ze als laureaat van VLOED op schrijfresidentie, waaruit een eerste publicatie voortkwam. In haar werk verkent Luna verschillende media, waarbij tekst steeds de boventoon voert. Ze speculeert en fabuleert over natuur, geloof en volkskunst.

Alles bekijken

Over Vers van het Mes

Ieder jaar biedt Vers van het Mes aanstormend poëzietalent de kans om een groter publiek te bereiken. De open oproep is bedoeld voor ongedebuteerde dichters en wordt georganiseerd door Vlaams-Nederlands Huis deBuren, poëziestichting Perdu en Poëziecentrum. Dit jaar zonden maar liefst 115 dichters hun werk in. Anne Ballon en Luna Schuddinck uit Vlaanderen en Madelief Lammers en Myrthe Prins uit Nederland haalden de selectie

Lees de poëtica van de drie andere dichters
  • Madelief Lammers | Madelief gaat de onmogelijke uitdaging aan om de werkelijkheid te grijpen met taal

  • Anne Ballon | Anne meandert langs de inspirerende stemmen van Bhanu Kapil, Anne Carson, Hélène Cixous, Ursula K. Le Guin en Chus Pato.

  • Myrthe Prins | Myrthe liet het schrijven van haar poëtica over aan ruim honderd anderen

Vers van het Mes is een samenwerking van deBuren, Perdu en Poëziecentrum. 'Hit & Run' verscheen ook al eerder in de Poëziekrant en op de website van Poëziecentrum.