De poëtica van Anne Ballon

Vers van het Mes

Datum 25 juni 2026

Op 3, 4 en 10 april traden de dichters van de vierenveertigste editie van Vers van het Mes op in Gent, Brussel en Amsterdam. Anne Ballon, Madelief Lammers, Myrthe Prins en Luna Schuddinck schreven voor dit programma een poëtica, waarin zij hun standpunt als dichter onderzoeken. Anne Ballon meandert langs de inspirerende stemmen van Bhanu Kapil, Anne Carson, Hélène Cixous, Ursula K. Le Guin en Chus Pato.

1.

De poëzie, zij liegt zo mooi. 

Het schrijven gebeurt op onontgonnen gebied, een utopische ruïne vol godheden en goddelozen, een dystopisch en veelkleurig landschap. Er groeien bloemen en schelpen, er lopen wilde dieren rond. Alle tijdvensters liggen in het puin. 
Het is een onbestaande wereld vol archieven, gulzigheid en wrakgoed, een fossiel, het nu en een futuristisch object.
Ik leg mijn vingers op dat landschap, wachtend op bekentenissen die mij vreemd zijn, bombastisch; een vrouw ligt in een paardenkarkas en verft haar hart blauw. 
De taal trekt samen, raakt me even aan, wendt zich af, komt terug, schudt me door elkaar. Dit is het eerste materiaal. De intentie van mijn schrijven ben ik intussen compleet uit het oog verloren, ligt ergens tig bochten achter mij. Raak ik het nog aan? Wil ik het nog? Of is er wat anders dat nu, intussen, mijn vinger aan de pen houdt? 
Woorden, als je ze hun gang laat gaan, doen wat ze willen doen en wat ze moeten doen, aldus Anne Carson.

Ik leg knopen, ontwar ze. Ik heb de neiging tot splitsen, gaten te slaan, me een weg te hakken door een tunnel. Een verstoring van orde, een steen weer soepel maken. Hoe dan ook, is het een gebroken lyriek die werkzaam blijkt, ergens in de wereld gaan staan, met brokstukken en pleisterlagen. Die weerbarstigheid is de enige continuïteit:
kapotmaken en helen, een band doorsnijden, dan: twee touwen aan elkaar vastknopen, wederopbouwing na een schipbreuk.

Ik probeer denk ik te zeggen hoe ik schrijf, hoe ik mij probeer te verhouden tot de onvolmaakte beweging van het schrijven. 

De poëzie die mij raakt is ondraaglijk en onuitstaanbaar omdat zij een verlangen in zich draagt dat per definitie ontransparant en onvervulbaar is. Ik beroer slechts een fractie, en  omdat de poëzie een verrukkelijk tegengewicht biedt voor het leven dat ik leid en liefheb, de saaiheid ervan, omdat ze mij in staat stelt te gaan waar ik niet kan gaan, wederkeer ik steeds opnieuw. Hélène Cixous stelt het als volgt in haar essay sorties: De stem (van de poëzie) zingt uit een tijd vóór de wet, vóórdat het Symbolische de adem ontnam en deze opnieuw toe-eigende in een taal onder zijn autoriteit van scheiding. De diepste, oudste, mooiste bezoekingen. In elke vrouw zingt de eerste, naamloze liefde

De stem belooft mij telkens weer: een inwijding.

En misschien zou ik kunnen zeggen: een inwijding tot iets absoluut. Als ik ten minste zou weten wat dat betekent.

2.

Maar deze belofte is vals, en omwille van deze valse belofte, beweeg ik voorwaarts, zet ik door en gebruik ik het losse materiaal van een doodsaaie en bloedmooie werkelijkheid. Ursula K. Le Guin schreef over sciencefiction: Het is een vreemde vorm van realisme, maar eigenlijk is de werkelijkheid zelf vreemd. Hetzelfde geldt voor poëzie. Alles wat de poëzie schrijft is waar en onwaar, pure nonsens, prietpraat met een zuivere kernachtigheid. Zodoende zweven mijn teksten in een tussenruimte, waar zij wanhopig scanderen: ik wil de taal schrijven, ik kan de taal niet schrijven. Taal streeft naar zichzelf, komt nabij, maar slaagt er niet in zichzelf ooit helemaal te bereiken. 
Is het dat waar Chus Pato naar verwijst als zij schrijft: Het gevoel dat we ergens op een punt in de taal buitengesloten zijn?
Ook al ben ik buitengesloten, steeds vind ik mezelf terug aan de poort van de poëzie. Ik sta daar naakt en met mijn mond vol kersen, en probeer mij aanstellerig en vergeefs naar binnen te schrijven. Ik ben immers drachtig van de vele stemmen die mij hebben gevoed. Ook deze tekst is daar een optekening van, slechts stemmen en sporen, echo’s. Ik parafraseer, citeer, en vertaal vrij.
Nog eens Chus Pato: maar een innerlijke stem wordt gevormd door alle teksten die zijn geschreven, gelezen door die ogen-stem, door alles wat we hebben uitgesproken, door alles wat niet verbaal (hoorbaar) is.
Een lang vergeten taal vindt haar weg naar mijn blad als de hymne van een zwerm: een stotterend meisje, een heks en een huisvrouw, moeders, schrijvers en kunstenaressen. Ik ben slechts de pop van deze buikspreeksters. Wat jagen zij na? Er ligt een woord op mijn poppentong en ik schrijf het woord op. Het woord stuwt een zin voort en ik schrijf de zin op. Ik ben wankel op één been maar ontvankelijk, ik zeg welkom meiden, woel de taal om, plaats en misplaats tot een gebrekkige compositie, eerder bricolage overblijft: poreus en los, instabiel en chaotisch, een collage, onaf. Hergebruik van een meesterdief. In dat taalspel, zowel utopisch als een ramp, hoop ik, dat ook jij intrek neemt. 

3.

Ik verdraag moeilijk de mateloosheid van de taal, en toch moet ik er wat mee. Dus ik schrijf.
Het schrijven zelf is een 'gebeuren'. Met elke zin die ik noteer, elk woord dat ik schik en herschik, knip en plak, kan mijn lichaam in ritme veranderen. De tekst gebeurt de hele tijd. En soms ben ik er haast niet, hef ik mezelf op, ontsnap ik aan een alledaags bewustzijn. 

En dan is daar een losse tekst, open aan de randen, niets anders dan een nagedacht, of een leemte in mijn hand, een neerslag van obsessief lezen, verzamelen en schrijven, en zo te leven. Hoe te leven? Vraagt de tekst zich telkens af en tevergeefs zoek ik een antwoord, tevergeefs gebruik ik het schrijven om te leven, zonder dat ik weet hoe het moet. Het is een onderbroken, obsessief proces. Ik word er ziek van. Het is zo fragiel. Ik blijf, hier, ik blijf, blijf, blijf; hier in de roes is er klaarte; één enkele witte stip, ik poog de taal daar met de dolk te raken, en ik mis, opnieuw. Beginnen en niet beginnen, beginnen en net niet beginnen, beginnen en weer beginnen, beginnen en stoppen en herbeginnen. Ik begin, bijt me vast als een parasiet. De woorden, ze zijn zwaar, drukken met hun volle kracht. Ik ben bang dat het niet zal trillen, maar meet me een frivole houding aan: ik schrijf de zee in de lucht. Een golf blijft tegen de hemel hangen. Valt nooit-nimmer. 
Er is geen crux, er is nooit een crux. Bhanu Kapil schreef: Een zin schrijven waarvan de inhoud vluchtiger is dan wat haar bevat. Ik probeer iets te schrijven dat beweegt, en ik faal met in mijn handen het dinggedicht dat uiteindelijk slecht een faliekante mislukking blijkt te zijn, een bastaard bestaande uit lapjes: stukgehakte woorden, een mutatie. 
Het schrijven van poëzie blijft een perpetuele poging, dus scheld me kwijt het snelle schrijven, scheld me kwijt deze bezetenheid. Zodoende begin ik opnieuw, schrijf ik verder, en leef ik. Van hot naar her op zoek naar een ruimte onder de taal, van hot naar her. Het is simpelweg een koortsachtig genot, dit schrijven. Waarom zou ik stoppen, (waarom)? Ja zeg ik terwijl ik struikel.

Noten van schrijver:

Ik parafraseerde, citeerde, en vertaalde vrij naar het Nederlands uit volgende bronnen:

  • Ban en Banlieu van Bhanu Kapil

  • Autobiography of Red van Anne Carson

  • Sorties van Hélène Cixous

  • The Carrier Bag Theory of Fiction van Ursula K. Le Guin

  • Finisterra van Chus Pato

Waarom zou ik stoppen, waarom? komt uit de vertaling van Lelie Danesh van Alleen de stem blijft over van Tanhā Sedāst Ke Mīmānad, te lezen op Samplekanon

 

Anne Ballon (zij/haar) schrijft en is edelsmid. Ze woont in Brussel. Haar teksten werden onder andere gepubliceerd in en op Rekto:Verso, Deus Ex Machina, deBuren, de Reactor en Hard//hoofd. Anne is deel van schrijvers- en kunstenaarscollectief Hyster-X, en VLOED-laureaat 2025. In haar teksten denkt Anne momenteel na over normaliteit en totalitarisme, de correlaties tussen verlangen en schrijven, en meerstemmigheid.

Alles bekijken

Over Vers van het Mes

Ieder jaar biedt Vers van het Mes aanstormend poëzietalent de kans om een groter publiek te bereiken. De open oproep is bedoeld voor ongedebuteerde dichters en wordt georganiseerd door Vlaams-Nederlands Huis deBuren, poëziestichting Perdu en Poëziecentrum. Dit jaar zonden maar liefst 115 dichters hun werk in. Anne Ballon en Luna Schuddinck uit Vlaanderen en Madelief Lammers en Myrthe Prins uit Nederland haalden de selectie.

Lees de poëtica van de drie andere dichters
  • Luna Schuddinck | Luna maakte van haar voordracht een ritueel

  • Madelief Lammers | Madelief gaat de onmogelijke uitdaging aan om de werkelijkheid te grijpen met taal

  • Myrthe Prins | Myrthe liet het schrijven van haar poëtica over aan ruim honderd anderen

Vers van het Mes is een samenwerking van deBuren, Perdu en Poëziecentrum. 'Hit & Run' verscheen ook al eerder in de Poëziekrant en op de website van Poëziecentrum.