1.
De poëzie, zij liegt zo mooi.
Het schrijven gebeurt op onontgonnen gebied, een utopische ruïne vol godheden en goddelozen, een dystopisch en veelkleurig landschap. Er groeien bloemen en schelpen, er lopen wilde dieren rond. Alle tijdvensters liggen in het puin.
Het is een onbestaande wereld vol archieven, gulzigheid en wrakgoed, een fossiel, het nu en een futuristisch object.
Ik leg mijn vingers op dat landschap, wachtend op bekentenissen die mij vreemd zijn, bombastisch; een vrouw ligt in een paardenkarkas en verft haar hart blauw.
De taal trekt samen, raakt me even aan, wendt zich af, komt terug, schudt me door elkaar. Dit is het eerste materiaal. De intentie van mijn schrijven ben ik intussen compleet uit het oog verloren, ligt ergens tig bochten achter mij. Raak ik het nog aan? Wil ik het nog? Of is er wat anders dat nu, intussen, mijn vinger aan de pen houdt?
Woorden, als je ze hun gang laat gaan, doen wat ze willen doen en wat ze moeten doen, aldus Anne Carson.
Ik leg knopen, ontwar ze. Ik heb de neiging tot splitsen, gaten te slaan, me een weg te hakken door een tunnel. Een verstoring van orde, een steen weer soepel maken. Hoe dan ook, is het een gebroken lyriek die werkzaam blijkt, ergens in de wereld gaan staan, met brokstukken en pleisterlagen. Die weerbarstigheid is de enige continuïteit:
kapotmaken en helen, een band doorsnijden, dan: twee touwen aan elkaar vastknopen, wederopbouwing na een schipbreuk.
Ik probeer denk ik te zeggen hoe ik schrijf, hoe ik mij probeer te verhouden tot de onvolmaakte beweging van het schrijven.
De poëzie die mij raakt is ondraaglijk en onuitstaanbaar omdat zij een verlangen in zich draagt dat per definitie ontransparant en onvervulbaar is. Ik beroer slechts een fractie, en omdat de poëzie een verrukkelijk tegengewicht biedt voor het leven dat ik leid en liefheb, de saaiheid ervan, omdat ze mij in staat stelt te gaan waar ik niet kan gaan, wederkeer ik steeds opnieuw. Hélène Cixous stelt het als volgt in haar essay sorties: De stem (van de poëzie) zingt uit een tijd vóór de wet, vóórdat het Symbolische de adem ontnam en deze opnieuw toe-eigende in een taal onder zijn autoriteit van scheiding. De diepste, oudste, mooiste bezoekingen. In elke vrouw zingt de eerste, naamloze liefde.
De stem belooft mij telkens weer: een inwijding.
En misschien zou ik kunnen zeggen: een inwijding tot iets absoluut. Als ik ten minste zou weten wat dat betekent.