Begin deze zomer ervaarde ik onrust over de tijd. Ik voelde een banaal en abject ongemak, omdat ik te laat was datgene te vermijden wat geschiedde. Vijf na twaalven en maden belegerden mijn compostemmer. Nieuw leven had zich ontwikkeld op afgeknaagde halve manen meloen en een beschamende anderhalve kilo voedselverspilling.
Wat je moet weten over maden: ze verschijnen niet zomaar uit het niets. Het zijn de larven die komen uit de honderden eitjes van één vlieg. De maden waren daar als verklikkers: zoveel tijd heb jij laten verstrijken, nu zijn we er om net als jij te gedijen in de tijd, maar op een tempo dat anders is dan het jouwe. Tussen de vuilwitte, pootloze rompjes zag ik namelijk ook bruine, opgedroogde karkassen. De pasgeborenen lagen tussen de verstorvenen. Hypersnel en triest dit madenbestaan, dacht ik.
Wat je te weten komt over maden: ze veinzen hun dood. In hun opgedroogde, schijnbaar levenloze staat van een rijstkorrel, wachten ze tot ze mogen ontpoppen als vlieg.
In mijn compostbakje brak het gelaagde karakter van de tijd door. Alles vloeit in elkaar over. Je hoeft de aardkorst niet te doorspitten om het geklingel van verschillende tijdschalen te horen zoals ook dit fragment uit Astrid Haerens’ roman Erosie (2026) illustreert:
“Er bestaan barnstenen met gestolde kakkerlakken, muggen, spinnen. Honderd miljoenen jaar oud. Maar het belangrijkste, zei ze, terwijl ze de stenen een voor een in mijn hand legde en ik daarmee voor het eerst in lange tijd weer aangeraakt werd, haar warme vingers in mijn palm” (38)