Tabula Rasa
Lieve oma, met mijn ogen op geschilderd kaarslicht reis ik terug in de tijd. Naar de brok in mijn meisjeskeel, naar het Waasland, het land van Reinaert de Vos, joúw land, dertig jaar geleden.
Duisternis valt in. Een luciferdoosje gaat krakerig open. Op de hoogste verdieping van een woontoren schraap jij een lucifer over de fosforlaag, opnieuw en opnieuw, tot een vlam sissend tot leven komt. De kruimels van de avondmaaltijd zijn weggeveegd, het bestek glimmend afgewassen. Nog even en je leest me voor uit een sprookjesboek, maar eerst ons ritueel. Kaarsen aansteken, om de donkerte te verdrijven.
‘Oma, mag ik helpen?’ Ik druk mijn gezicht tegen jouw arm, je ruikt naar de appeltaart die gaart in de oven. Een toetje, voor straks. Op mijn tippen reik ik naar je oorlel. Ik wrijf het zachte vlees tussen mijn vingers.
‘Oma-a, mag ik helpen?’
‘Ja, bolleke’, fluister je. ‘Toe maar’, en je reikt me een lucifer aan.
Dat je niet goed hoort, begrijp ik niet, want je hebt zulke grote oren. Grote Vriendelijke Reus-oren. Ik zou erin kunnen klimmen en schuilen voor de onzichtbare hand die mijn nek omklemt. Daar zou ik veilig zijn. Veilig voor de duisternis. Veilig voor papa die mama, jouw dochter, elke avond urenlang op de knieën dwingt. Daarvoor heeft hij niet veel nodig. Als hij thuiskomt van het café, is een verschoven koffiemok op tafel al genoeg bewijs voor haar ontrouw. Mijn papa, Congolees van geboorte, praat Frans, ik niet. Toch weet ik heel goed wat er komt als hij zegt: ‘On va faire table rase.’ ‘Beginnen met een schone lei’ betekent geschreeuw, de bonk van de koekenpan tegen mama’s oor.
Hoeveel kaarsjes zijn er nodig om zijn schaduw te verdrijven, oma? ‘Kunnen we nog een laatste kaars branden? Nog eentje meer?’
Ik moet toegeven dat ik al die jaren iets voor jou heb verzwegen. Ondanks alles zie ik papa graag. En het zal je kwetsen, oma, maar zoals hij mama verdacht van bedrog, verdenk ik ons kaarsenritueel van bedrieglijkheid. Want ook al droeg je me op handen, ik hoorde je wel tegen vriendinnen foeteren over vreemdelingen, makaken, bomenklimmers. En toch, toch brand ik elke avond kaarsen, als eerbetoon aan jou. Met de dansende vlammen sijpelen benzeen en formaldehyde mijn longblaasjes binnen, het kaarslicht even schadelijk als sigarettenrook. Waarom toch is wat goed voelt vaak eigenlijk slecht voor ons?
Een oud politieverslag onthult dat mijn ouders elkaar graag zagen.
Betrokkenen wonen effectief samen als echtgenoten. Er is een goede verstandhouding in het gezin. Er zijn geen klachten gekend wat betreft hun omgang en gedragingen. Stellen dan ook dat het hier zeker geen schijnhuwelijk betreft.
Ondanks de droge formulering schetsten de woorden een belofte: van een interraciaal koppel wier liefde ondanks het dagelijkse racisme standhield. En dat was ook zo, tot het allemaal instortte. En ik puin moest ruimen.
Bij jou voelde ik me veilig, oma.
Ook al woon ik al jaren niet meer bij mijn ouders, ben ik intussen zélf moeder geworden, hun oorlog woedt verder in mijn lijf.
Jij moet niets van oorlogsvluchtelingen weten. Maar ik, ik denk dat ik hen begrijp. Ook hier, in de zachte kuil van een Nederlandse matras, blijven hun oren suizen. Blijven de oorlogsdrones, de baby-yaga en al-zanana, in hun hoofd doorzoemen, steeds luider en luider, zoals het aanzwellende geraas van een naderende bijenzwerm. Zo raast ook de donderstem van mijn papa in mijn hoofd. On va faire la table rase! On va faire la table rase! On va faire la table rase! On va faire la table rase! We beginnen met een schone lei!
Pieter Paul Rubens Rubens schilderde dit werk op panelen. Zou hij geweten hebben dat zijn werk zichzelf kapottrekt? Dat de oude planken waarvan het gemaakt is langzaam uitzetten, zichzelf nanometer voor nanometer stukscheuren? En kijk eens goed: zelfs het pigment vervaagt. Kijk eens oma, naar de hand, naar de vage contouren erboven. Die hand schilderde Rubens eerst, maar uit ontevredenheid retoucheerde hij het. Tabula rasa. Table rase. Schone lei.
Ik weet de donkerte stilaan op gezondere manieren te verjagen, maar blijf de kaarsen aansteken zoals jij deed. Met het verstrijken van de tijd komen de eerste penseelstreken weer bovendrijven, oma, zoals ik vandaag ook jouw racisme, jouw minder mooie kanten kan herkennen. Zie jij jouw spookhand?
Lieve oma, ik vergeef je, net zoals ik mijn papa vergeef. Fluister je me nog één keer toe? Toe maar, bolleke. Nog één kaarske. Ik heb er genoeg. Voor vanavond. Voor een heel leven.