De strafbaarstelling van solidariteit: een kanarie in de democratische koolmijn

Over de botsing tussen ethiek en de wet

Datum 27 november 2025

Wat doe je wanneer je een medeburger wilt helpen, maar hierdoor eigenlijk een crimineel feit begaat? Moeten we wetten gehoorzamen ook wanneer die solidariteit strafbaar stellen? Camille Van Peteghem is jurist, onderzoeker en geëngageerd schrijver op het kruispunt van recht, macht en identiteit, en nam in 2025 deel aan Nieuw Geluid. Op 13 november bracht ze een voordracht over de botsing tussen ethiek en de wet, en leidde daarmee een panelgesprek in over strafbare solidariteit.

Een vrouw belandt maanden in de cel omdat ze hongerige migranten onderdak en wat voedsel biedt. Vrijwilligers die uit solidariteit een berggrens oversteken, worden willekeurig uit de groep geplukt en meegesleurd in een dure, tijdrovende rechtszaak wegens mensensmokkel. En sociale bewegingen die zich tegen dit beleid verzetten? Die worden monddood gemaakt, door protest hardhandig te breken of protesterende burgers simpelweg te bestempelen als gevaarlijke terroristen.

Nee, dit is geen dystopische roman. Het is steeds vaker de werkelijkheid in onze zogenoemde westerse democratieën. Daden van solidariteit worden gecriminaliseerd. De ethische plicht om mensen in nood te helpen lijkt zo te botsen met onze plicht om de wet te gehoorzamen.

Maar waarom moeten we eigenlijk luisteren naar de wet? En wat heeft solidariteit daarmee te maken? En wat betekent dat allemaal voor onze democratie?

Waarom gehoorzamen we rechtsregels?

Omdat we geloven dat we dat moeten. We volgen de wet omdat juridische instellingen macht uitoefenen over ons. Dat is in de eerste plaats materiële macht: de mogelijkheid van juridische instellingen om rechtsregels op te leggen en af te dwingen.

Maar materiële macht is niet voldoende. Als burgers collectief zouden kiezen voor verzet, heeft een overheid niet genoeg capaciteit om verzet de kop in te drukken. Juridische instellingen kunnen dus slechts macht over ons uitoefenen zolang een kritische hoeveelheid aan burgers hen zonder dwang gehoorzaamt.

De cruciale vraag is dan: wat motiveert ons om het recht te gehoorzamen? Een klassieke rechtspsychologische studie toont aan dat mensen wetten voornamelijk naleven omdat ze die als eerlijk ervaren, niet omdat ze bang zijn voor straf.  We gehoorzamen in de eerste plaats omdat we geloven dat het recht in de kern rechtvaardig is. Dat is de tweede vorm van macht die juridische instellingen uitoefenen: morele macht. De macht van instellingen om ons te straffen krijgt pas betekenis doordat mensen vertrouwen op hun legitimiteit. Zonder dat vertrouwen stort gehoorzaamheid in.

Kort gezegd: als de wetgever hard optreedt tegen vluchtelingen en tegen wie hen helpt, wringt dat misschien wel met ons ethisch gevoel, maar we gehoorzamen toch. Dit doen we niet enkel omdat we bang zijn dat de juridische instellingen de macht hebben om ons te straffen, maar omdat we met voldoende mensen geloven dat die macht legitiem is.

Wat maakt die macht dan legitiem?

We do! Allemaal samen. In de eerste plaats is de macht van juridische instellingen nodig om interacties in een moderne samenleving vreedzaam te coördineren. In onze complexe en diverse sociale realiteit waarin we elkaar niet allemaal kennen, maken gemeenschappelijke regels en een gedeeld begrip van wie autoriteit heeft over de betekenis van die regels het mogelijk om toch vreedzaam te interageren. Volgens dat idee is juridische macht legitiem als de regels duidelijk, voorspelbaar en coherent zijn.

Maar orde alleen is niet genoeg. Een samenleving kan perfect geordend zijn en toch diep onrechtvaardig.

De legitimiteit van juridische macht hangt dus niet alleen af van de capaciteit van juridische instellingen om orde te scheppen in de samenleving, maar ook van de aard van die orde. Het recht moet bijdragen aan een sociaal en politiek rechtvaardige orde in de samenleving.

'Orde alleen is niet genoeg. Een samenleving kan perfect geordend zijn en toch diep onrechtvaardig'

In een democratische staat betekent dit dat de uitoefening van juridische macht alleen legitiem is als ze ook democratisch verantwoord is. Oftewel: als wij als burgers gelijke kansen hebben om invloed uit te oefenen op de regels die ons binden.

Kort gezegd: ook als wetten, zoals die tegen hulp aan vluchtelingen, ons ethisch gevoel tarten, erkennen we juridische macht omdat ze nodig is om onze complexe samenleving te coördineren, tenminste zolang die macht democratisch verantwoord blijft.

Wat maakt de macht van juridische instellingen democratisch verantwoord?

De mogelijkheid om ze vreedzaam te contesteren. Jawel: lang leve het sociaal protest! Volgens de fabeltjesversie van democratie bestaat er een vaste consensus over wat een rechtvaardige machtsverhouding is tussen de staat en haar burgers. Maar in een complexe, diverse samenleving gaat dat kumbaya-verhaal niet op. Wat als rechtvaardig geldt, verandert voortdurend met de machtsbalans tussen de institutionele macht van de staat enerzijds en de sociale tegenmacht van burgerbewegingen anderzijds.

Democratische legitimiteit is dus geen vast feit, maar een levend proces. Sociale bewegingen en protesten zijn daarin geen bedreiging, maar een vorm van morele ademhaling. Zij brengen tegenmacht van onderuit. Wanneer instellingen welbepaalde groepen van burgers onderdrukken of marginaliseren, kunnen die burgers zich verenigen en tegen die onderdrukking te protesteren. Zo herinneren burgers de staat eraan dat publieke macht nooit vanzelfsprekend is. Op die manier kan beleid worden bijgestuurd en de machtsbalans worden hersteld, om de legitimiteit te behouden die nodig is om het systeem draaiende te houden.

Daarom is het recht op vereniging en protest geen gunst, maar een noodzakelijke voorwaarde voor een duurzame democratie. Zonder de mogelijkheid om zich te verzetten tegen institutionele onderdrukking, verliest de democratie haar morele grond.

Kort gezegd: Wanneer sociale bewegingen protesteren tegen de repressie van vluchtelingen, oefenen ze noodzakelijke tegenmacht uit. Als de staat hun protesten neerslaat of hen als “terroristisch” bestempelt, verliest ze haar democratische legitimiteit, want die rust juist op de vrijheid van burgers om zich te verenigen en de macht van juridische instellingen te bevragen.

Wat heeft solidariteit daarmee te maken?

Heel. Erg. Veel. In complex en diverse samenlevingen als de onze heeft immers niet iedereen dezelfde mogelijkheden om zich te verenigen of te protesteren. Door historisch of actueel beleid bestaan er grote verschillen tussen de economische middelen en sociale erkenning van sociale groepen. Kwetsbare groepen kunnen zich moeilijker onderling of samen met anderen mobiliseren. Voor hen blijft het fundamenteel recht op vereniging en protest dan ook vaak een holle doos.

Daarom is solidariteit met structureel onderdrukte personen geen vrijblijvende ethische deugd, maar een vorm van interpersoonlijke tegenmacht. Interpersoonlijke solidariteit - steunen, verdedigen of beschermen van personen die systematisch gemarginaliseerd worden - is een manier om structurele ongelijkheid zichtbaar te maken en ruimte te scheppen om haar te corrigeren. Zonder solidariteit verliezen onderdrukte groepen nog meer hun mogelijkheid om sociale macht te betwisten.

En wanneer solidariteit met deze groepen wordt ontmoedigd of zelfs strafbaar gesteld, verdwijnt niet alleen de mogelijkheid tot individuele hulp, maar ook de werkelijke mogelijkheid voor deze groepen om zich effectief te kunnen verzetten tegen hun onderdrukking door de staat. Zo verliest de democratie de kritische adem die zij nodig heeft om levend te blijven.

Kort gezegd: Personen die vluchtelingen onderdak of voedsel bieden, oefenen interpersoonlijke tegenmacht uit. Zulke daden signaleren de sociale onrechtvaardigheid van onderuit.  Door hen te straffen, wordt de solidariteit gesmoord die nodig is om collectieve bewegingen te vormen.

Moeten we dan wetten gehoorzamen die solidariteit strafbaar stellen?

Nope, in principe niet nodig, tenminste als het gaat om solidariteit met structureel onderdrukte groepen.  Want die solidariteit is geen luxe, maar de cruciale voorwaarde voor het opbouwen van voldoende sociale tegenmacht die nodig is om de macht van publieke instellingen democratisch te bevragen.

Wanneer die solidariteit met structureel onderdrukte groepen wordt belemmerd, ontstaat een gevaarlijke spiraal. Enkel groepen die al structurele sociale macht uitoefenen kunnen gehoord worden door de publieke instellingen en worden daardoor alleen maar machtiger. De macht van wie al kwetsbaar is, neemt verder af, terwijl de instellingen die zogezegd iedereen zouden moeten vertegenwoordigen steeds minder weten van het leven van wie uitgesloten wordt. Mensen die zich niet gehoord voelen, verliezen dan hun vertrouwen in het recht als vreedzaam middel om verandering te brengen. Ze keren zich ertegen. Als de mogelijkheid tot solidariteit verdwijnt, verliezen juridische instellingen op termijn dus ook hun vermogen om onze samenleving vreedzaam te coördineren.

Wanneer het recht solidariteit met structureel onderdrukte sociale groepen strafbaar maakt, ondermijnt het dus zijn eigen morele gezag. Dan verschuift de plicht van gehoorzaamheid naar een plicht van verzet, niet uit ontrouw aan de wet, maar uit trouw aan haar democratische grondslag.

De strafbaarstelling van solidariteit raakt dus niet alleen individuele activisten of helpers, maar de democratie als geheel. Ze snijdt de capaciteit af die burgers in staat stelt om samen weerstand te bieden aan sociaal onrecht. Als mensen niet langer mogen helpen, spreken of zich organiseren met wie gemarginaliseerd wordt, verliest de wet haar rechtvaardiging om gehoorzaamd te worden.

'Als mensen niet langer mogen helpen, spreken of zich organiseren met wie gemarginaliseerd wordt, verliest de wet haar rechtvaardiging om gehoorzaamd te worden'

Kort gezegd: wanneer solidariteit met onderdrukte groepen, zoals vluchtelingen, strafbaar wordt, verandert gehoorzaamheid in verzet: blijven helpen, spreken en samenkomen, ook als het systeem dat verbiedt. Dan ontstaat zelfs een plicht tot ongehoorzaamheid, om het recht te herinneren aan zijn democratische grondslag. Maar dat is natuurlijk gemakkelijker gezegd dan gedaan.

Moeten we ons zorgen maken?

Euhm, ja! Democratisch recht is geen stilstaande realiteit. Een samenleving verandert en het recht moet mee. Democratie is een levend proces dat alleen kan blijven bestaan zolang alle burgers de macht van juridische instellingen constant kunnen blijven bevragen. Zonder de mogelijkheid om elkaar te steunen en samen weerstand te bieden tegen onderdrukking, wordt democratische legitimiteit een lege huls.

De toenemende strafbaarstelling van solidariteit is dus een alarmsignaal: het is een kanarie in de koolmijn die het dalende zuurstofpeil van onze democratie pijnlijk duidelijk maakt.

Het is dan aan burgers, kunstenaars, academici en activisten om het luchtkanaal opnieuw te openen - om te blijven spreken, helpen en protesteren. Niet tegen het recht, maar om de duurzame democratische legitimiteit ervan te beschermen.

Op 13 november bracht filosoof en schrijver Suzanne Roes vier mensen samen bij deBuren voor het panelgesprek 'Wanneer solidariteit strafbaar wordt': theatermaker Abdulaal Hussein, historica Jessica van Geel, criminoloog Bram Visser. Camille Van Peteghem zorgde voor een juridische introductie bij het debat.

Foto: Sarah Van Looy

Sarah Van Looy

Camille Van Peteghem (1994) is jurist, onderzoeker en geëngageerd schrijver op het kruispunt van recht, macht en identiteit. Ze doctoreert aan KU Leuven over culturele conflicten in het contractenrecht en behaalde eerder een LL.M aan Yale Law School. In haar werk verkent ze de maatschappelijke verhalen die tussen de regels van het recht schuilgaan. Door vastgeroeste aannames los te wrikken, kritisch te bevragen en te vertalen naar het publieke debat, wil ze bijdragen aan een democratischer juridisch verhaal. Ze nam in 2025 deel aan Nieuw Geluid, het talentontwikkelingstraject van deBuren voor nieuwe stemmen in het publieke debat.

Alles bekijken