Jonge makers, oude meesterwerken | Let’s Get Physical

Luizenmoeder

door: Lize Spit

Datum 4 februari 2026
Door

Tijdens festival Writers Unlimited 2026 bundelen het Mauritshuis en deBuren hun krachten en nodigen Nederlandse en Vlaamse makers uit voor een bijzondere ontmoeting tussen literatuur, lichaam en beeldende kunst onder het motto Let’s Get Physical. Schrijvers Roan KasanmonadiLucas RijneveldTuly Salumu en Lize Spit gingen de uitdaging aan om lichamelijkheid in de breedste zin van het woord te onderzoeken en met al hun zintuigen te schrijven over kunst – kunst die je juist níét mag aanraken. Ze schrijven elk een krachtige nieuwe tekst bij een schilderij uit de 17de eeuwse collectie van museum het Mauritshuis. Lize Spit liet zich inspireren door Een moeder die het haar van haar kind kamt, bekend als 'De luizenjacht van Gerard ter Borcht.

Gerard ter Borch – Een moeder die het haar van haar kind kamt, bekend als 'De luizenjacht, c. 1652-1653

Luizenmoeder

Kammen, zei de apotheker, dat is de enige manier. Voor de shampoo worden ze na enige tijd resistent.
Mijn moeder had dus geen andere optie dan zich iedere avond door het haar van mijn zus heen te werken, terwijl die zo stil mogelijk met een handdoek om haar smalle schouders op een hoge stoel een stripboek moest zitten lezen.
De oude luizenkam had aan weerszijden tandjes, de ene zijde fijner dan de andere. De nieuwe netenkam had aan één zijde een dubbele rij metalen pinnetjes en had iets weg van een wapen.

Duizenden keren heeft mijn moeder diezelfde beweging uitgevoerd, haar handen nog verrimpeld van het warme afwaswater, druk zettend op het kammetje om het met een strakke haal langs de schedel te bewegen, van de haarscheiding helemaal tot in de punten, zodat ieder eitje meekwam. Na elke haal hield ze de kam recht en draaide ze zich om naar de keukentafel, waar ze de metalen tandjes op een opengesperde zakdoek met enkele ferme tikken uitklopte, om te kijken of er iets gevangen was. Ze haatte het taakje, deed het vaak zuchtend en klagend, zoals een leerling een onterechte strafstudie zou uitzitten. Ik bekeek het tafereel vanuit mijn ooghoeken, terwijl ik televisiekeek of huiswerk zat te maken.
Op het witte oppervlak van de zakdoek verzamelde zich, tussen de losgetrokken haren met neten, bruinrode puntjes die onwennig voortbewogen. Soms waren het er een paar, soms wel vijftig.

Elke luis die de rand van de zakdoek bereikte, splitste mijn moeder onder haar nagel in tweeën, wat er makkelijker uitzag dan het was. Mij lukte het nooit, ik durfde niet genoeg kracht te zetten tot het punt waarop het plotseling knapte, zoals ik dat ook met het plattrappen van ballonnen had, de schrik voor het schrikken.

Mijn zus en ik deelden een slaapkamer, en het was alsof het insectenrijk ons nu eenmaal zo verdeeld had: de muggen kregen mij, de luizen haar. Ik kwam er het eenvoudigste vanaf, ik kreeg een anti-muggenstekker die je gewoon in het stopcontact kon steken.

Mijn zus had van jongs af aan de meest fysieke relatie met mijn moeder. Als kind speelde ze graag met haar bengelende oorbellen, of met het losse vel van haar nek. Ze konden elkaar aanraken, zonder weerzin, of zo zag het er toch uit, vanop een afstandje. Hoe vaker mijn moeder op luizenjacht ging, hoe vanzelfsprekender de aanrakingen leken. Het was mijn zus die sjaaltjes voor mijn moeder kocht op de markt, bij aanvang van de tweede chemokuur. Ze toonde aan mijn moeder hoe ze deze kon dragen.  

De eerste keer dat ik mijn moeders haar aanraakte, was meteen ook de laatste. We zaten in de tuin, het was zomer, het was warm, tussen het grijze dons op haar schedel staken hier en daar langere, donkere plukken omhoog, als bij een vogeljong waar de eerste veren doorkomen. Enigszins bang vroeg ze of ik het zou zien zitten haar hoofd te scheren. Ze kon er zelf niet bij, anders zou ze het zelf hebben gedaan, en nu zag het er niet uit, vond ze. De tondeuse lag in de badkamer, in het rechter kastje, bovenin.

Ik plaatste een terrasstoel in de schaduw, klopte er alle kattenharen vanaf, liet mijn moeder plaatsnemen. Overal had ze een dun laagje donshaartjes, achteraan in haar nek, op haar oorlellen. Het werkte het beste als je tegen de groeirichting in bewoog, zei ze. Ze had verschillende weerborstels.

Haar stekels waren zacht, zachter dan ik had verwacht.

© Daniil Lavrovski

Lize Spit (1988) groeide op in de Antwerpse Kempen, maar woont sinds 2005 in Brussel. Ze behaalde een master Scenarioschrijven aan het RITSC. Ze won zowel de publieks- als juryprijs bij Write Now! in 2013 en nam in 2014 deel aan de schrijfresidentie van deBuren. Haar proza en poëzie was te lezen in verschillende literaire tijdschriften. In 2016 verscheen haar debuutroman Het smelt. Het boek won de Bronzen Uil, de Boekhandelsprijs, de Hebban-Debuutprijs, werd NRC Boek van het Jaar en haalde de shortlist van de Libris Literatuurprijs en de Premio Strega Europeo. Er volgden vertalingen in vijftien landen en een verfilming. Haar tweede roman Ik ben er niet (2020) werd net zoals haar debuut een bestseller. In 2023 schreef ze het Boekenweekgeschenk De eerlijke vinder. Lize Spit werkt als gastdocent creatief schrijven voor LUCA School Of Arts en RITSC. Ze is columnist bij De Morgen. Haar goed onthaalde laatste boek Autobiografie van mijn lichaam kwam uit in 2024 en verschijnt binnenkort in Duitsland en Frankrijk.

Alles bekijken

Deze tekst is geschreven in opdracht van deBuren in samenwerking met Mauritshuis en Writers Unlimited Internationaal Literatuurfestival Den Haag 2026.

De tekst werd live voorgedragen in het museum op 22 januari 2026 en gepubliceerd in de Standaard der Letteren (31.01.2026)