Luizenmoeder
Kammen, zei de apotheker, dat is de enige manier. Voor de shampoo worden ze na enige tijd resistent.
Mijn moeder had dus geen andere optie dan zich iedere avond door het haar van mijn zus heen te werken, terwijl die zo stil mogelijk met een handdoek om haar smalle schouders op een hoge stoel een stripboek moest zitten lezen.
De oude luizenkam had aan weerszijden tandjes, de ene zijde fijner dan de andere. De nieuwe netenkam had aan één zijde een dubbele rij metalen pinnetjes en had iets weg van een wapen.
Duizenden keren heeft mijn moeder diezelfde beweging uitgevoerd, haar handen nog verrimpeld van het warme afwaswater, druk zettend op het kammetje om het met een strakke haal langs de schedel te bewegen, van de haarscheiding helemaal tot in de punten, zodat ieder eitje meekwam. Na elke haal hield ze de kam recht en draaide ze zich om naar de keukentafel, waar ze de metalen tandjes op een opengesperde zakdoek met enkele ferme tikken uitklopte, om te kijken of er iets gevangen was. Ze haatte het taakje, deed het vaak zuchtend en klagend, zoals een leerling een onterechte strafstudie zou uitzitten. Ik bekeek het tafereel vanuit mijn ooghoeken, terwijl ik televisiekeek of huiswerk zat te maken.
Op het witte oppervlak van de zakdoek verzamelde zich, tussen de losgetrokken haren met neten, bruinrode puntjes die onwennig voortbewogen. Soms waren het er een paar, soms wel vijftig.
Elke luis die de rand van de zakdoek bereikte, splitste mijn moeder onder haar nagel in tweeën, wat er makkelijker uitzag dan het was. Mij lukte het nooit, ik durfde niet genoeg kracht te zetten tot het punt waarop het plotseling knapte, zoals ik dat ook met het plattrappen van ballonnen had, de schrik voor het schrikken.
Mijn zus en ik deelden een slaapkamer, en het was alsof het insectenrijk ons nu eenmaal zo verdeeld had: de muggen kregen mij, de luizen haar. Ik kwam er het eenvoudigste vanaf, ik kreeg een anti-muggenstekker die je gewoon in het stopcontact kon steken.
Mijn zus had van jongs af aan de meest fysieke relatie met mijn moeder. Als kind speelde ze graag met haar bengelende oorbellen, of met het losse vel van haar nek. Ze konden elkaar aanraken, zonder weerzin, of zo zag het er toch uit, vanop een afstandje. Hoe vaker mijn moeder op luizenjacht ging, hoe vanzelfsprekender de aanrakingen leken. Het was mijn zus die sjaaltjes voor mijn moeder kocht op de markt, bij aanvang van de tweede chemokuur. Ze toonde aan mijn moeder hoe ze deze kon dragen.
De eerste keer dat ik mijn moeders haar aanraakte, was meteen ook de laatste. We zaten in de tuin, het was zomer, het was warm, tussen het grijze dons op haar schedel staken hier en daar langere, donkere plukken omhoog, als bij een vogeljong waar de eerste veren doorkomen. Enigszins bang vroeg ze of ik het zou zien zitten haar hoofd te scheren. Ze kon er zelf niet bij, anders zou ze het zelf hebben gedaan, en nu zag het er niet uit, vond ze. De tondeuse lag in de badkamer, in het rechter kastje, bovenin.
Ik plaatste een terrasstoel in de schaduw, klopte er alle kattenharen vanaf, liet mijn moeder plaatsnemen. Overal had ze een dun laagje donshaartjes, achteraan in haar nek, op haar oorlellen. Het werkte het beste als je tegen de groeirichting in bewoog, zei ze. Ze had verschillende weerborstels.
Haar stekels waren zacht, zachter dan ik had verwacht.