Laat het in een loflied heengaan
Een stem kan opgewarmd worden voor een kwaad
tegengeluid, voor een ik-weet-het-beter en
zo-zal-het-gaan-monoloog, of voor een vraag die de jas
draagt van een antwoord, kun je aan je bestaan twijfelen,
bijvoorbeeld, als iedereen je altijd al verwachtte?
Er hangt nog wat buitenkou in de kraag en niemand
steekt de kachel aan omdat de woorden als vochtig hout.
Een stem kan opgewarmd worden om zich lieflijk
voor te doen, zo van aai-vogeltje-aai en dan ineens
o nee het-vogeltje-pikt-het-pikt en de vloer is lava voor
iedereen die nog niet over een vleugelwerk beschikt.
Zo kan een stem ook opgewarmd worden om een
veldslag van start, met zinnen die als oorlogspaarden
uit de keel galopperen, ook wel harnas-taal genoemd
waarmee ze willen voorkomen dat iets of iemand
door de buitenkou-jas heen dringt; wie als eerste
de ander ontmantelt wint, en het land naar zijn hand.
Maar ooit was het anders, ooit was er een dag waarop het licht
het licht zag, of hoe je het ook kunt verwoorden:
er was een moment dat de Redding ter aarde werd verlangd,
dat er een stem zich opwarmde om voor Hem een zuiver
loflied. En wat er toen gebeurde: de oorlog viel stil,
kachels begonnen te branden en uit alle jassen
groeiden prachtige vleugelwerken zodat men als duiven,
ja, als duiven kreeg men die dag de hoop op
beterschap tot diep in de staartpennen.