kortverhaal

La vie à Saint-Denis: Verloren Voorwerpen 

door Jordy Spyt

Datum 14 juni 2026
Door

Tijdens de schrijfresidentie in 2023 schreef Jordy Spyt een kortverhaal waarvoor hij inspiratie vond in de wijk Saint-Denis. Het verhaal was eerder te lezen in literair tijdschrift DW B. 'De leuze van de republiek is in steen gekerfd boven de ramen van het stadhuis. Liberté, Egalité en een zwartgeblakerde Fraternité boven een uitgebrand raam. Saint-Denis wordt donker, de stad loopt leeg.'

La vie à Saint-Denis: Verloren Voorwerpen

1.

Het ruikt er naar urine, soms laten de ticketpoortjes mensen niet door, er staan kraampjes met fruit en djembés en de tegels aan de muren zien eruit alsof ze uit een badkamer komen.

De stalen tube rijdt het station binnen. De deuren gaan open en een massa lichamen stroomt het perron van Porte de Clignancourt op. De tube wordt uitgeperst en dan opnieuw gevuld. Het alarm van de deuren weerkaatst op de badkamertegels.

Een oudere vrouw zwaait haar plastic tas het metrostel in om zichzelf vaart te geven erachteraan naar binnen te stappen. De deuren gaan dicht en zij heeft enkel de handvatten van de zak vast. Seconden duren uren terwijl de metro zich klaarmaakt om te vertrekken. Even lijkt de tas het te houden, de vrouw houdt zich angstvallig vast aan de handvatten totdat de tube het gevecht wint en de tas meeneemt naar het eindstation.

Ergens aan de andere kant van Parijs zal iemand haar tas vinden en zich afvragen wat voor persoon boodschappen achterlaat in de metro. Met enkel de handvatten in haar hand lijkt de vrouw in paniek, ze roept naar het lege perron: 'Kijk nou wat er gebeurd is!' maar dan barst ze in schaterlachen uit. 

***

          ‘Heb je dat aan op de drempel van het huis van God?’ vraagt de man met de panamahoed op.
          ‘Wat is uw naam?’ vraag de jonge vrouw.
          'Ik ben de Markies van Parijs. Wat is jouw naam?'
          Ze glimlacht en zegt: 'Ik ben de Punker van Parijs.

 

2.

Een verdwaalde toerist, zo eentje die zijn mond in een streep trekt als hij gedag wil zeggen, trapt naar een duif op het plein voor de basiliek van Saint-Denis. Twee ruziënde Fransen, elk met een sigaret in de hand, discussiëren over de Tour. Een kind in oproeruitrusting marcheert met een geweer strak in zijn handen, gevolgd door de brede glimlachen van zijn ouders.

Ze lopen allemaal Don Giovanni voorbij. Het regent bloempotwater op de klanten van zijn typisch Italiaanse restaurant, waar de pizza’s belegd worden met chorizo en waar Wals nr. 2 van Sjostakovitsj continu op de platenspeler ligt.

Een man met een panamahoed op, komt zijn zaak binnen en knipt met zijn vingers. Giovanni zegt: 'Meneer de Markies, neemt u plaats, uw eten komt eraan.' De Markies zegt niks en neemt plaats. Don Giovanni brengt hem een glas van zijn beste amaretto. Veel sneller dan de andere klanten wordt de man met de panamahoed bediend en kan hij aan zijn feestmaal beginnen.

***

          ‘Ben jij de baas van de stad?' vraagt ze terwijl ze haar buidel stevig vasthoudt.
          'Ik loop hier elke dag rond en groet mijn onderdanen. De rest is aan de Republiek
          om uit te zoeken, aangezien ze mijn koning een kopje kleiner hebben gemaakt.
'
          ‘Wat is er met hem gebeurd?’
          ‘Vraag het maar aan hem, hij ligt achter deze deur, binnen in de basiliek.’

 

3.

De duifschopper meandert mee met een stroom mensen door de winkelstraat, hij slentert van winkel naar fastfoodtent naar winkel. Er is een gitaarbar waar alleen toeristen iets drinken, die niet weten dat ze een toeristenprijs aangerekend zullen krijgen. Iets verderop bouwen mensen zonder toekomst aan de toekomst van de stad. De nieuwe wijk is veel mooier dan de oude vervallen huizen eromheen. Het ruikt niet naar een ongedefinieerde mix van urine en iets dat aan het ontbinden is, en er wonen geen mensen onder een Lidl-reclamebord dat in tweeën is gezaagd. Het zijn huizen voor een ander soort mensen, de gelukkigen. Soms komen ze langs alsof ze op safari zijn. Ze dragen hun rugzak op hun buik om aan te geven dat ze er zijn.

Maïs ligt te roosteren op een brandende winkelwagen, de zoete geur zorgt ervoor dat zelfs voedselinspecteurs een oogje dichtknijpen. Mannen in blauwe maatpakken verkopen Airpods, Gucci-zonnebrillen en sigaretten, ze zeggen dat ze zeker niet nep zijn. De overgebleven buideldragers lopen door naar een eindeloze weg met kraampjes aan beide kanten. Sneakers voor twintig euro en een volledige outfit voor twee euro. Verderop halen spelende kinderen hun vingers door kleine ravijnen die zijn overgebleven na het wegslepen van een uitgebrande auto.

Verscholen achter de kraampjes ligt Le Marché Aux Puces de Saint-Ouen, de grote vlooienmarkt. Twee verdiepingen vol met alles wat je maar kunt bedenken. Vliegtuigmotoren, postzegels, lepels, kapotte camera's, oude gitaren, snuisterijen en in het midden van het gebouw een levensgroot ruimteschip. De prijzen rond het schip zijn astronomisch hoog. Het lijkt alsof er ooit buideldragende buitenaardse wezens zijn geland en dit stukje van de markt hebben gekoloniseerd. Ze jagen de lokale bevolking weg met hun prijzen, net als in de nieuwe wijk.  

De Markies loopt een kraampje binnen op de rand van de markt, hier zijn de gebouwen oud en versleten. Hij knipt met zijn vingers. Zonder aarzelen overhandigt een oude man met een zwarte baret hem een spiegel. Hij klemt zijn vingers rond de gefranjerde lijst en vertrekt met een stevige stap richting zijn paleis.

***

          'Iets zegt me dat je hier bent met een reden,’ zegt de Markies.
          'Ik kwam hier om een kaarsje aan te steken.'
          'Je lijkt me niet het religieuze type.'
          'Dat heb ik van mijn moeder, elke keer als er iets gebeurde stak ze een kaars aan.'
          ‘Wat is er gebeurd?’
          ‘Er is een misverstand. Ik heb de spullen van een van de belangrijkste mensen
          van onze stad volledig vernield en hem de toegang tot zijn slaapplaats
          ontnomen,’ zegt de Punker.

 

4.

De leuze van de republiek is in steen gekerfd boven de ramen van het stadhuis. Liberté, Egalité en een zwartgeblakerde Fraternité boven een uitgebrand raam. Saint-Denis wordt donker, de stad loopt leeg.

Het ruikt nog steeds naar urine. Een muur van mensen probeert door de poortjes terug de metro in te komen. Iemand springt behendig over het draaimechanisme alsof hij dit al jaren doet. Een vrouw steekt haar kaartje in het poortje, dat uit de verkeerde gleuf recht in een afvoerputje schiet. Het poortje heeft beslist en gaat open, ze is nu een zwartrijder.

De deuren van de metro lichten op. Een man springt er nog snel door en ze gaan dicht. Zijn vrouw was net te langzaam. Ze leggen hun handen op elkaar, met een raam tussen hen in. ‘Stap uit bij het volgende station!’ roept de vrouw naar haar man. Misschien heeft hij het niet gehoord en kan ze hem later die dag ophalen bij de verloren voorwerpen. Hij zal moeten wachten naast alle andere verloren metromensen, een paar buikzakken, een toerist met duivenveren aan zijn schoenen en een plastic tas zonder handvatten.

Verderop in de straat loopt de Markies een hotel binnen en knipt met zijn vingers. Er staat een jonge vrouw achter de balie; hij heeft haar nog nooit eerder gezien. Het knippen doet haar niks, ze leidt de Markies niet naar zijn met spiegels beklede suite, zijn Versailles.

Ze kijkt naar de spiegel in zijn handen en wijst naar een stapel dozen naast de deur. Hij opent ze en ziet allemaal gebroken glas en gebarsten lijsten. Hij kijkt haar vol ongeloof aan. Ze kijkt naar zijn schoenen, ze zijn versleten, ze wijst naar de deur. 'Maar, mijn Versailles,' zegt de Markies. De jonge vrouw blijft naar de deur wijzen.

De basiliek van Saint-Denis is verlaten op dit uur, ineengezakt zit de Markies op de blauwstenen vloer van het portaal, zijn panamahoed aan zijn voeten, zijn handen in zijn haar. Een vingerknip wekt de Markies. De jonge vrouw uit het hotel staat voor hem. De Markies zet zijn hoed op en vraagt: ‘Heb je dat aan op de drempel van het huis van God?’ Ze steekt haar hand uit.

***

          ‘Mijnheer de Markies,’ zegt ze, ‘u hoeft niet buiten te slapen, uw kamer staat klaar.’

 

_

Deze tekst kwam tot stand tijdens de schrijfresidentie in 2023 en werd gepubliceerd in DW B 2025_1 Who's afraid of reading drama?
© Marianne Hommersom

Jordy Spyt (1994) is sociaal-cultureel werker en lid van het collectief van de Letterzetter van Kortrijk. Zijn inspiratie haalt hij uit de marge van de samenleving. Zijn kortverhalen zijn absurd, kras, empathisch en hebben een vleugje humor. Zijn personages en werelden zijn imperfect en hebben een melancholische toets. Jordy nam deel aan de schrijfresidentie in 2023 en werkt aan zijn debuutroman. Lees meer op jordyspyt.be

Alles bekijken