andrOmeda
Bij de afwezigheid van zowel monster als held zit Andromeda nog steeds aan de rotsen vastgeketend. Het is niet zeker op wiens altaar ze is geofferd, voor wiens fouten ze terechtstaat. Haar polsen zijn zwak. Haar armen zijn moe. Bij de eerste gewaarwording van een streepje opgaande zon in de duisternis, begint ook haar angst.
Tussen de duisternis van de nacht en de middagzon zit een rode schemer. Langzaamaan tekent de scheiding tussen lucht en zee zich af, dun en onzeker. De horizon is dan scherp als een papiersnee. Door haar oogleden heen ziet Andromeda rood. Ze knippert en ze ziet de scheiding. Ze doet haar ogen weer toe, of knijpt ze tot spleetjes. Ze ziet de lijn die zich aftekent. Andromeda weet wat de dag haar brengt. Ze is heel nerveus. Ze krijgt last van haar darmen. Haar ingewanden zijn verkrampt. Haar buik voelt hard en haar anus is opgespannen. Ze voelt zich een trommel gevuld met darmen vol versteende kak. Het lukt haar niet om te negeren dat ze bang is. Het zwaartepunt van de kak bevindt zich net boven haar anus. Ze heeft steken linksonder in haar buik en misselijkheid kolkt tussen haar middenrif en haar slokdarm.
De zon stijgt. De schelle, vlakke stralen maken van haar kruin een hete plaat. De zee is onverbiddelijk donkerblauw onder de lichtblauwe hemel. De twee vlakken zijn onveranderlijk en windstil. Andromeda schuurt haar voeten tegen de grond. De rots is hard en ruw. Ze speelt met een afgebrokkeld stukje rots tussen twee tenen. Ze voelt het stof onder haar zolen en in haar haar. Soms, als een jong geitje zich te dicht bij de rand van het klif waagt, wordt ze besprenkeld met zand en gruis dat van de rand afbrokkelt onder het gewicht van het dier. De stukjes steen kietelen haar hoofdhuid. Maar vandaag zijn er geen geitjes, de dag is te heet, het gras te onsmakelijk. De hersenen van Andromeda bereiken een kookpunt. Haar rechterbiceps trilt. Ze probeert een positie te vinden waarin haar polsen minder strak zitten door heen en weer te leunen, net niet tegen de rotswand te staan, maar de ideale positie lijkt onvindbaar. Haar adem wordt steeds oppervlakkiger. Haar hersenpan zit vol met horzels die zich woedend tegen haar voorhoofd stoten. Ze krijgt hoofdpijn onder haar linkeroog. Haar slapen kloppen, ze wordt nog misselijker. Haar keel wordt toegeknepen.
De zee spiegelt zonnestralen in haar gezicht. Ze kijkt nog eens: de lijn. Ze bekijkt hem van ooghoek tot ooghoek. Er is niets te zien. Enkel een vlakte die zich voor haar uitstrekt en doorloopt tot waar ze kan zien. Andromeda blijft de lijn volgen met haar ogen, heen en weer. Ze doet het tot het opnieuw rood wordt, de avond valt en ze enkel nog het donker kan bekijken.