Unica
oktober, en het hart dankt de herfst
haar een einde toe
niet één dag had ik die herfst
dat de bloem mij niet opvrat terug
in de knop, er is geen vragen dat
werkelijk valt
de wereld is het werk en
de weg terug? het geheugen
op kniebeen kroop ik kwam ik
met de natte vleugel van de lucht
op mijn schouder het huis in
sloeg het beeld me lam met mijn oog
hoor de dichter moet wel door
had een sprong hier dan volstaan?
een woord baart een woord, wordt
zo’n wandeling na verloop van tijd
te broos: de brug kent mijn hand
maar het motief blijft onduidelijk
in dit land ben ik een lichaam
in de klop van mijn stem
—
op het balkon raakt de koele hand
van gister me aan en ik wacht
op een onderkomen, of vorm
ik ben uit de witharde buik
van het spreken geklommen (1953,
laatavondzon,
liep ik kletsnat
van licht door de straten naar huis)
ik heb mijn ledematen ingeruild
voor afstand, voor ritme,
maar hoe ik je ook aanschrijf
ik roep je niet op ik sta open
‘met een weerzin tegen alles
wat het leven in de weg staat’,
heb ik dan zelf het zaad van mijn vlucht
hier geplant? niet van de wereld ben ik
niet past de nacht in het knoopsgat
van de dag alhoewel ik soms droom
dat ik het toch kan aanzien, dat
mijn oog doolt boven p—
als een vreselijke vogel en dat ik
alles kan raken met de pols van
mijn veer, dat de zwaartekracht
van mijn cellen en woorden
alle bestaan spoedt naar de rand
dat de rand zegt kom binnen
—
Kom vriend, sta mij bij
tot wat in mij is gevaren wat
ligt me onder voet? Te stad ben ik niet meer niet te land
dat zwart nu is, het jonge begin en dan opnieuw ik begin
opnieuw: proza, raaskal, verder niets dan ik het toedicht.
Schrijf ik ik heb alles gestolen? Ik schrijf dat wat
doet dat. Steeds luider
kwam het antwoord steeds meer boog het
toe naar mijn vraag. Soms overvalt het
mij. Delen of bestaan? Momenten van
besef dat ik weg was bij ontmoeting, bij thuiskomst
het doffe geel van de dag in de gang als stilstaand water — op hort
is de tik van het lint, ook bij de rust van de vinger. Tik. Ik, roerloos met blik
op de buik van het boven: dus, ik lig onder. Ach, brieven
zijn het. Al het materiaal dat ik verzameld heb: brieven,
allemaal.
—
Lente trof je— een uitbottende blik
die zich blauw zo na boog
om te kijken, naar jou
toen bleken de zinnen geen binnen
en je ogen daarbuiten te zijn
al toonde het donker haar buik,
bleek het zwart—
Het geeft niet, je begon net
geluk terug te vinden, vergissen is
menselijk: wat hoog is kan
storten en water voorziet niet
van eindeloos nat.
Het bot uit met je woorden,
en dit scherp dan de schop op—
de vorst die je wenst verkoelt
toch geen blad. Ook je man
vindt genot alleen niet in
woorden, tot slot gaat hij weg
met je schenken als buit
en wat blijft na dat dwalen? Het pad,
dat je hield voor zijn voet—
—
wat zie je? noodzaak
het komt erop aan goed te weten dat de dingen gaan gebeuren en wanneer
als je terugkijkt wou je dat je iets gemaakt had iets gevormd had naar de zinnen
die ze zeiden zou dat een redding zijn?
je bent hier om deze zaken te verbinden archief aan te leggen van dat denken
dat zich van jou heeft ontdaan de ramp in je hoofd die zich niet meer geeft aan de dag
kom ooit jij voorbij deze randen is er een wang die zich geven kan aan de hand?
klamp je vast aan de mulle wandel tussen oever en kade de rivier die beeft als een snaar
soms moet je langer wachten
soms zie je jezelf in de parken wandelen
ga dan weg
—
Tot hier, en niet verder
in het spoor van zo’n voet,de stort in. Tijd voor methode, want stelt
zich die vraag niet? Wat mankeert is de stem
van een derde,
nu iemand zich jouw stem de mond toebedeelt.
het verhaal ja zeker
dat was er
maar al schrijf je jezelf de tekst uit dan nog zie je de kieren
en door dit zingen dat zich in zwermen naar je ogen wiekt
raak je niet heen.
Hoe kan zo’n beeld
het veld besluipen dat je blikrand
heeft gesteld? Vreesde je ooit
de vastheid van vormen
dan beweeg je nu de kamer met een slag van je oog
Te stap,
ten val.
Zo maak je, spreek je. En tot wie? Als er al een koor is
waar is zij dan? Waarom is het zo
stil nu
waar is de stem die de jouwe ontmoet?
—
Ook zonder ons vaart en verlaat het. Verdwijnen de dingen? Ze staan
blank. ‘Jij wilde een woord
dat niet naar zichzelf zou kijken, ik wilde een tekst om in te snijden
als een hart.’ Ik begrijp het niet
keer op keer
treft het bos in mijn brein een gruwelijk perk. ‘Ik vertaal:
er is slechts één poëzie geweest, die van het paradijs.’ Dus,
dit stemt ons. Verandering,
opdat het niet voortgaat. Nauwelijks verliezen,
ondanks het verlies.
—
Ik moet weg, zegt ze, het raam belaagt vol oogzucht en zeer
dus wat rest mij? Het licht
dat knippend wit dat stad en stoep
bekist, en de beet van de oever
waar de dag op breekt.
Is dit hoe wij dode mensen elkaar schrijven?
De hartenklop, ik stem het, zij slaat het.
De buik die kwader steeds dit dragen vroeg
hoop ik af te leggen
om iets te zeggen dat niet uit mij komt
en waar je geen adem in kunt vinden,
tenzij gedeeld. Fataal: ik ben slechts met mijn ogen,
door gangen ga ik die geboomd en nat zijn
en ik hoop dat het haasten nader is,
waar het gaan snel is van geest, rapper nog van tong.
Hier geen pols te deel - niet tussen ons,
ten minste, dus houd ik de vinger
daar waar de letter pulseert. Zal alles
uiteindelijk alles ontmoeten, ‘alles
zal uitlopen tot slot op papier.’
—