Mannengriep
Ik kan me aansluiten bij mannenpraatgroepen of er zelf eentje oprichten. Ik kan leeglopen bij mijn moeder of bij mijn vriendinnen die mij omstebeurt bemoederen. Ook kan ik me laven aan mijn deel van de oneindige liefde van onze Schepper.
Houvast genoeg. Toch lig ik hier ijlend in bed tijdens deze eenzaamheidsepidemie. Mijn hoofd doet zeer, mijn hart voel ik niet meer. Mij rest niets anders dan mijn ogen te sluiten en weg te dromen naar de ideale mannenvriendschap.
Generatieslang beredeneerden filosofen dat alleen mannen de top van vriendschap kunnen bereiken. Het verheven snijpunt van onbaatzuchtigheid, wederkerigheid en geborgenheid. Liefde zonder lust; broederschap die niets van doen heeft met waar kinderen vandaan komen.
Mijzelf laat het echter koud of “mannenvriendschap” rationeel bestaat. Net zoals ik mijn neus ophaal voor gesprekken waarin God wordt benaderd als een filosofisch weerlegbare notie.
Net als Jezus is de ideale mannenvriendschap meer als een vriend die ik goed heb leren kennen, maar nooit in levenden lijve heb ontmoet. Vaak dacht ik hem te zien. Op reis, in een kamer of bed naast mij. Of eens na een bruiloft, toen ik een van de getuigen sprak. Een vrijgezel, iemand die er net als ik van overtuigd leek dat er iets hogers dan het huwelijk moest bestaan.
Mijn zielsverwant, dacht ik, eindelijk een vriend voor mij en mij alleen. Eeuwig geluk projecteerde ik op deze passant; een man die er uiteindelijk toch ook voor koos iemands man te worden.
Deze ziekmakende werkelijkheid probeer ik nu op een droomwolk te ontvluchten. Door mijn vroegere vriendschappen te idealiseren, open ik een poort naar een mythologisch toevluchtsoord. Een spiegelparadijs van schervenvrije herinneringen aan wat had kunnen zijn.
Helpt dromen tegen de eenzaamheid? Het leidt af en geeft een warmer gevoel dan sterkedrank.
Langs verfraaide herinneringen dun als de beentjes van destijds daal ik ten slotte glimlachend af in een droomslaap. Waarin mijn vrienden en ik ongemeend ‘homo!’ naar elkaar roepen en ieder speelkwartier verstrikt raken in winnen of verliezen van de jongens van de andere klas.
Later in de gymzaal hebben we de handen vol aan onszelf; elkaar achtervolgend en tikkend, de partijlinten uit elkaars broekjes rukkend, als amfibische staarten die weer aangroeien.
Wat we ook spelen, over hoeveel teams we onszelf ook verdelen; we verliezen ons doel, onze eenheid, niet uit het vizier. En erna in de kleedkamer zwepen we elkaars ruggen aan gort met handdoeken gedrenkt in het vertrouwen dat onder de douches juist niemand naar een ander heeft gegluurd.
*