Eenzame Avonturen

Madame Renard. Het vertellen van een vrouw

door Martha Claeys

Datum 17 december 2024

Je betrekt een huis in de Ardennen en raakt gefascineerd door de vrouw die er voor jou woonde en over wie in het dorp wilde verhalen de ronde doen. Wie is of was mevrouw Renard?

Madame Renard. Het vertellen van een vrouw

Het is de zomer van 1997, de warmste augustus sinds de metingen begonnen. De dikke Ardeense muren houden de koelte lang vast, maar de hitte in het dorp dringt langzaam de huizen binnen. Danielle sluit de gordijnen en stapt door de hete veranda de tuin in. Rechts achteraan naast de sleedoorn zal het Intex-zwembad komen.
Het is het enige stukje tuin dat niet in de schaduw van de grote sparren ligt. Ze ontruimt een stuk van ongeveer drie bij drie meter van doornen die het bad zouden kunnen beschadigen. In de schaduw rangschikt ze de buizen naar grootte om de volledigheid van het pakket na te gaan. Dat raden ze aan in de handleiding. De metalen buizen schuift ze door de gleuven in het zeil tot ze, met behulp van de koppelstukken, ongeveer een cirkel vormen. Platte kant naar boven. Draaien tot het pinnetje in het gaatje schiet. Opnieuw de handleiding lezen. Het geheel optillen en de poten er een voor een onder bevestigen. Klaar.
Zo zonder water oogt het kwetsbaar, fragieler dan ze verwacht had, als groot, goedkoop speelgoed. Ze rolt de tuinslang uit tot die ruim over de rand van het zwembad komt en kijkt hoe het water het zachte plastic zijn vorm geeft. In de rivier beneden hoort ze kinderen spelen. Zodra de bodem met water bedekt is, trekt ze haar kleren uit en gaat languit op het blauwe zeil liggen. Haar borsten zijn witter dan de rest van haar lijf en vallen opzij, maar minder dan je bij een vrouw van haar leeftijd zou verwachten. In het dorp zegt men dat ze een chirurg heeft bezocht om ze te laten vergroten. Ze zeggen dat ze te veel drinkt. Dat ze drugs neemt. Ze zeggen dat ze de loterij heeft gewonnen. Het blauwe Intex-bad steekt af tegen de dicht bebladerde sleedoorn.
Door de haag heen ziet ze soms silhouetten. De schimmen wandelen nooit haastig. Ze ziet ze vooroverleunen, alsof ze gluren om een glimp van haar te zien te krijgen, hun nek aangespannen. Ze komen op warme dagen, dan is de kans het grootst. Wie voor altijd de geruchten kan bevestigen, zal hoge ogen gooien in het dorp. De jongsten onder hen hebben zich de kunst van het gluren nog niet eigen gemaakt. Ze verraden zichzelf met gegniffel en lopen weg als ze zich naar hen toe keert. Maar ook de aarzelende tred van een man die stopt om zogenaamd een sigaret op te steken, herkent ze intussen van ver.
Ze ligt languit op het blauwe onderzeil. Het water komt al tot voorbij haar oorschelp. Ze kijkt naar de lucht en hoort zelfs onder water nog het krijsen van de zwaluwen.

‘Complètement folle.’ Mijn buurman vangt met zijn rechterhand een denkbeeldige vlieg voor zijn ogen. Hij heeft het over de vrouw die, jaren voordat ik er met mijn vriend in trok, in ons huis woonde. ‘De hele familie was bizar. Ze woonden in Brussel en spendeerden hun weekends hier. Op het einde bleef zij alleen over. Ze had in Spanje gezeten, maar toen haar vader overleed, kwam ze permanent in Givenne wonen. Ze bleef in de streek tot het einde van haar dagen, die ze sleet in een tehuis een paar kilometer verderop.’ Hij draagt een pet met de naam van het dorp erop geborduurd. Van de wandelclub, zegt hij. Ik wil er ook zo een. Ik heb me in korte tijd al een dorps chauvinisme toegeëeigend. Nog maar een jaar wonen mijn vriend en ik deeltijds in het dorp, maar het zit al onder mijn huid. Niet het minst wegens de vrouw die jaren in ons huis woonde.
Ik doe alsof ik dit voor het eerst hoor. De verhalen over Danielle Renard zijn ons al vaker verteld. Een buur heeft gezegd dat ze haar borsten heeft laten vergroten. Ze werkte als ‘dame van plezier’. Tenminste, dat leidde hij af uit de observatie dat ze vele mannen over de vloer kreeg. De man met de pet beaamt dat gretig. Ze hield de ene na de andere man gezelschap, tegen betaling, zeggen ze.
‘Gezelschap.’ Wie praat over Madame Renard, doet dat hier bijna altijd in eufemismen. De opgetrokken wenkbrauwen, de opengesperde ogen of herhaalde tikken met een vinger tegen de slaap behoeven geen verdere uitleg. ‘Gezelschap’, ‘losse zeden’, ‘fille de joie’.
Ik knik steeds vriendelijk naar de vertellers. Ik onderdruk de drang om in haar plaats het woord te nemen. Want ik woon nog maar net in het dorp, en ze vinden ons leuk. ‘On aime pas les Flamands ici qui ne parlent pas le français et viennent seulement le weekend,’ zeggen ze ons, ‘mais vous êtes différents.’ Wij zijn anders. Wij groeten de mensen op straat en onze gordijnen zijn altijd open.

Ik ben vijftien en heb voor het eerst mascara gekocht. Ik kam mijn wimpers met het boogvormige borsteltje tot de zwarte pasta ongeveer verdeeld over de haartjes zit. De haren die vastklitten duw ik met mijn wijsvinger uit elkaar. Mijn ene oog is iets groter dan het andere, en door de mascara valt het meer op. Met de foundation van mijn moeder stip ik de vlekjes op mijn gezicht aan. Het bruin is een tint donkerder dan mijn huid. Ik houd mijn uitgegroeide pony met een speld naar achteren.
Mijn eigele jurk duwt mijn onvolgroeide borsten een beetje omhoog. Ik heb geld gespaard en heb meerdere keren de winkel bezocht. Een investering, dacht ik van een kledingstuk van veertig euro. Ik vind mijn benen mooi. Ik draag sinds kort hakken, voornamelijk een paar zwarte laarzen met afzakkend leder rond de enkel. Mijn vriendinnen, allemaal minstens een kop kleiner dan ik, zijn nog niet in hun vrouwenlichaam gegroeid. Met hakken ben ik nog groter, maar dan draag ik mijn lichaam wel eleganter.
Voor het feest draag ik zwarte pumps. Het plastic op de hak bladdert wat af, maar van ver zie je dat niet. Ik vind het veruit mijn mooiste schoenen. Door de autorit heb ik een uur lang de make-up op mijn gezicht niet kunnen bekijken. Ik vraag niet aan mijn broers om te controleren of ik zwart onder mijn ogen heb. Toegeven dat je make-up draagt is voor een vijftienjarige bijna zo gênant als toegeven dat een vlekje een puist is.
We gaan het huis van de jarige binnen via de achterdeur, waar de keuken is. In het West-Vlaams klinkt groeten altijd hartelijker. Iemand wandelt met een schaal hapjes richting de tuin. Melba-toast met kruidenkaas en peterselie. Een tante kondigt haar intrede luid aan, ze omhelst mijn moeder en dan mij. Ze lacht met open mond.
‘Je lijkt wel een hoer!’

Sommige buren reageren ongemakkelijk wanneer het over haar gaat, alsof ze er vooral niets mee te maken willen hebben, alsof het te schaamtevol is om over haar te spreken. Vooral de vrouwen in het dorp zeggen niet te weten wat daar gebeurde. Maar dat het onkies was, betwijfelt niemand. Nog iets wat vaststaat volgens de buren: Madame Renard had ze niet op een rijtje. Een beetje ‘cou cou’, zeggen de meest voorzichtigen onder hen. Dat ze de laatste jaren van haar leven in het gesticht heeft doorgebracht, zeggen de buren met het meeste gevoel voor dramatiek. Haar stoppen zouden zijn doorgeslagen.
Mijn buurman vertelt dat ze de loterij gewonnen heeft. Ze heeft er een zwembad in de tuin mee bekostigd. Ze was daar vaak met blote borsten in of naast te vinden. De mannen gingen weleens over de haag kijken. Ik wil iets zeggen over ongepast gluurgedrag maar mijn gedachten blijven hangen bij het eerste deel van zijn verhaal. Een zwembad! Hebben we een huis met een zwembad gekocht? Ons huis is op rotsen gebouwd, hoe zou iemand hier ooit een zwembad hebben kunnen graven?
Terug thuis zoek ik in de verwilderde tuin naar sporen van een zwembad. Stenen, een fundament, een opvallend plat vierkant in de heuvelachtige aarde. Ik vind niets.
Op Google Maps open ik een satellietbeeld van de tuin. Aan de staat van de nieuwbouw van de overburen te zien is het een beeld van jaren geleden, toen Madame Renard er nog woonde. Daar, ter hoogte van de grote sleedoorn, zie ik het. Een blauw rond bad dat ik herken als een goedkoop plastic zwembad.
Ik heb één foto van het huis zoals het geweest moet zijn toen zij er woonde. De witte gevel is haast niet zichtbaar onder de dichtbegroeide wingerd. De plant woekert overal behalve op de ramen. Ze hield haar gordijnen steevast dicht, zegt men. Ze benaderde nooit iemand uit het dorp. En dan dat zwembad, de blote borsten, het komen en gaan van mannen. Wat is er gebeurd in dit dorp dat iedereen die ik spreek dezelfde verhalen, gezichtsuitdrukking, en oogbewegingen herhaalt over iemand die hier jaren geleden woonde?
Als ik buren spreek, bespeur ik nooit persoonlijke wrok. Madame Renard heeft niemand kwaad gedaan. Ik begin te vermoeden dat de zonde van Madame Renard niet haar losse zeden of middelengebruik waren, maar haar afzondering. De ultieme faux pas van een vrouw, bedenk ik, is misschien wel dit: haar aandacht onthouden, geen deel willen zijn van een gemeenschap, de glimlach weigeren.
Het is een aantrekkelijk en tegelijk klassiek verhaal. De excentrieke vrouw in het oude huis aan de rand van het bos, naast het kerkhof. Naast het huis stonden twee sparren die de hele tuin in een kille schaduw wierpen. De tuin werd niet onderhouden. Madame Renard was niet gehuwd, had wel veel bedpartners. De belichaming van het onreine, het vleselijke, het zondige. Ik moet denken aan dat oude grapje waarbij je het woord ‘heks’ snel achter elkaar moet uitspreken.
In een lade in de grote spiegelkast die de vorige bewoner achterliet, ligt een foto van de familie Renard. Er zit een houten kader omheen. Ik vraag me af waar het gehangen heeft, houd het voor de spijkers en haakjes die nog in de muren zitten, maar hang het nergens op. Het voelt te intiem om een portret van vier mensen die ik niet ken aan de muur te hebben. Ik zet de foto op een kast, leunend tegen de muur, alsof die hier wel hoort, maar niet permanent.
In de lades van andere oude kasten vind ik haar foto’s en postkaarten. Krantenknipsels ook. In een oude kluis in de kelder haar juwelen van geslepen glas. Als het donker is sta ik mezelf toe me in te beelden dat zij het is die zich klaarmaakt voor het slapengaan, niet ik. Onder de dekens in ons bed in de woonkamer, waar we voorlopig slapen, zeggen mijn vriend en ik wanneer we het huis horen kraken tegen elkaar dat zij het is.
Het familieportret moet gemaakt zijn op de plechtige communie van Danielle, begin jaren zestig. Haar oudere zus en zij zijn in het wit gekleed. Vader draagt een groen pak, moeder een groot lint met een bloem rond haar nek met bijpassende hoed. Ze zien er op dezelfde manier gelukkig uit als andere gelukkige families op geposeerde portretten.
De twee sparren in onze tuin steken met hun puntige kruin ver boven de andere vegetatie uit. Haar ouders hebben ze na haar geboorte geplant. Sommige ouders zetten een tatoeage, zij plantten bomen. Een voor haar, en een voor Amandine. Mijn vriend en ik verwijzen naar de sparren als les soeurs, de zussen. Amandine is logischerwijs de grootste, Danielle ongeveer twee meter korter. De bomen zijn te groot geworden voor het huis. De wortels komen te dicht bij de muren en ondergraven langzaam de fundamenten. Het huis wordt van onderuit opgetild.

Haar zus Amandine is negentien als ze op 22 mei 1967 naar de Nieuwstraat in Brussel vertrekt om nooit meer thuis te komen. Hoe de brand in de Innovation ontstond weet men niet. In de nationale media wordt eerst iets gezegd over een communistische samenzwering, dan over defecte verlichting in het grootwarenhuis. Amandine was misschien in het zelfbedieningsrestaurant achter in het gebouw, waar de meeste doden vielen. Of op een van de bovenste verdiepingen toen een deel van het dak instortte. Of ze vond de uitgang niet en stikte door de dikke rook. Ze is niet gesprongen, zoals sommigen deden, want haar lichaam is niet gevonden. De vlammen konden zich snel ontwikkelen door de centrale trappenhal die het vuur van zuurstof voorzag. De nooduitgangen waren volgens het onderzoek niet allemaal geopend, en sommige deuren dienden slechts om blinde muren te camoufleren. Het pand lag diep in een kantorencomplex. De slachtoffers zaten als ratten in de val. Danielle vraagt zich af of Amandine tegen een van de nepdeuren geduwd heeft.
Haar familie is na de brand met drie in plaats van vier, maar het voelt alsof ze allen gehalveerd zijn. In de krant noemt men de namen van de slachtoffers, meer dan tweehonderdvijftig in totaal. Nadien stromen de condoleancebrieven en bloemen vanzelf toe. Haar ouders verzamelen de brieven in een rode doos. Ze houden een week later een dienst met een witte krans met een groot lint. Geen kist. ‘Portée disparue’, staat op het doodsprentje. Vermist.
Vanaf dan zonderen de Renards zich steeds meer af. Ze gaan nog naar het huis in Givenne, maar praten met niemand. Ze zetten een gedenkteken, een boek uit steen gehouwen met haar foto erin, op het kerkhof naast het huis.
Danielle kan het stenen boek zien vanuit haar slaapkamer. Ze beeldt zich soms in dat zij het was en niet haar zus wier longen zich langzaam vulden met rook. Dat de condoleances voor haar kwamen, en dat haar beeltenis op het stenen boek stond.

© Noppadol Wongtrangan

In het huis ligt maar een handvol foto’s van Madame Renard. Ik vind diploma’s en postkaarten van Amandine, geen van Danielle. Een buur noemde het een publiek geheim dat Madame Renard la mal-aimée was, het minst geliefde kind. Misschien zonderde ze zich van de buren af vanwege het verdriet. Misschien voelde ze het gemis van haar ouders, dat onuitgesproken idee dat het verkeerde kind was gestorven. Survivor’s guilt heet dat in de psychologie. Of was het gewoon een familietrek, dat introverte?
Het voelt opwindend en ongepast tegelijk om in haar verleden te graven. Ik houd me voor dat de verhalen me overvallen, dat ik de foto’s en knipsels vooral toevallig vind, maar ik weet wel beter. Ik vis bij de buren naar informatie. Ik open de lades voor de zoveelste keer. Ik googel de medicatiestrips die ik in de radiatoren vind. ‘Verbetert de stemming en vermindert angsten.’ Ze zijn van een ander merk, en de belettering is wat verouderd, maar voor de rest lijken ze op de strips die ik tot voor kort dagelijks uitduwde. Ik veer op wanneer mijn vriend tijdens tuinwerken iets vindt wat van haar kan zijn, een stukje blauw zeil van het Intex-bad, een glasscherf, een pillenhuls. Waarom laat ze me niet los? Of beter gezegd: waarom laat ik haar niet met rust?
Ik ben een week in het huis tijdens onze eerste winter in Givenne. Mijn vriend heeft de schoorsteen doen trekken met een elektrische ventilator zodat we de kachel aan kunnen maken.
We spreken met buren die onder aan de rivier wonen, van wie ik vorig jaar op de rommelmarkt een afwasrekje kocht. Ik vertel hun in gebrekkig Frans over de kachel, dat we nu eindelijk vaker in het dorp zullen zijn, dat het eerder niet ging want het was er te koud. Ik maak een grapje over hoe ik elke dag aan hen denk als ik de afwas in het rekje laad. Ze lachen. Ze vertellen mij over hun tweede kindje, wijzend naar de bolle buik van de vrouw. Ik feliciteer hen hartelijk. Ik lach breed en vul alle stiltes. Ik ben goed in smalltalk. Een people pleaser. Reisgenoten kijken steevast naar mij om de hospita te groeten of een praatje te maken met de taxichauffeur. ‘À bientôt!’ zeg ik, en ik wuif naar de vrouw met de bolle buik terwijl we de heuvel richting ons huis op wandelen.
In de warme gloed van de kachel antwoord ik op mails. Hopelijk alles goed met je. Hope this e-mail finds you well. Met vriendelijke groeten. Hartelijks. Sinds een week neem ik niet meer elke dag de stemmingsverbeteraars die de psychiater mij vier jaar geleden voorschreef. Er raast sindsdien een wind in mij die ik herken als woede. Ik wil schreeuwen dat iedereen het zelf maar moet uitzoeken, mijn glimlach krijgen ze niet meer. Ik wil dat ze me met rust laten. Ik wil de gordijnen dichttrekken. Ik wil de kachel openmaken en met een van de gloeiende blokken alles in brand steken.

De ouders van Madame Renard liggen op het kerkhof naast ons huis. Er staat een stenen open boek op het graf. Op de sepia foto in het boek lacht een tiener. Het is een foto van de negentienjarige Amandine, ik vermoed een schoolfoto. Haar jukbeenderen zijn die van een volwassen vrouw, haar uitdrukking die van een kind. Amandine kreeg gekrulde letters op haar gedenksteen, volgens de mode van de jaren zestig. Voor de grafsteen van de ouders is gekozen voor moderne blokletters. Maar geen spoor van Madame Renard op het kerkhof.
Ik open een website die alle graven van de streek inventariseert. In het zoekbalkje geef ik haar naam en achternaam in. Niets. Dan enkel haar achternaam. Er liggen maar twee Renards in de streek, en dat zijn haar ouders. Amandine duikt niet op, misschien omdat haar lichaam nooit is gevonden. Op de verkoopakte tussen Madame Renard en de bewoner die het huis van haar kocht, vind ik haar laatste verblijfadres. Een woonzorgcentrum in een naburig dorp. Volgens het internet bestaat het nog steeds. Als iemand weet waar ze begraven ligt, zijn het de medewerkers daar.
De vrouw aan de lijn weet meteen over wie ik spreek. Ik vertel dat Madame Renard vroeger in mijn huis woonde. Ze zet kennelijk geen vraagtekens bij mijn interesse. Madame Renard is in 2020 bij hen vertrokken en naar een rusthuis in Luik verhuisd. Ze kan me niet vertellen welk rusthuis precies. Ik vraag of ze in slechte gezondheid was. Fysiek was ze goed, vertelt de vrouw me. ‘C’était plutôt sa mentalité.’
Het duurt even voordat ik het begrijp. Er is een grote kans dat Madame Renard nog leeft.
Later komt een man in werkpak een offerte maken om de verwarming te installeren. Het is de tweede keer dat hij in het huis komt. Jaren geleden plaatste hij voor Madame Renard de verwarming. Ik herken de opgetrokken wenkbrauwen, de grote ogen, het heimelijke gelach. En hij ontmoette haar zoon. Die was nog gekker dan zijn moeder, vertelt de man. Hij weet niet waar ik hem nu kan vinden, of hoe hij heet. In mijn verhaal had Madame Renard geen kind. Niemand heeft daar iets van gezegd.
De kettingzaag maakt een krijsend geluid. De bomen zijn te groot om in één keer om te leggen, dus halen de boomverzorgers dikke stammen van telkens ongeveer drie meter naar beneden. Les soeurs gaan tegen de grond. Eerst de grootste van de zussen, Amandine. De kleine boom zie ik nu pas voor het eerst echt goed. Zo alleen lijkt hij uit evenwicht. Aan de zijde waar Amandine stond zijn de takken schraler en korter. Met een laatste inspanning halen de boomverzorgers ook Madame Renard neer. De balken liggen verspreid in het gras als een onhandig mikadospel.
Het stubbe is hardnekkig en krijgen we niet weg. We graven een grote greppel rondom de stam, maar de wortels zitten te diep onder het huis. Ik stel me voor dat ze in de kelder als grote aders achter de muren en onder de vloeren zitten, dat ze de fundamenten raken, dat ik ze voel als ik blootvoets door het huis loop.

Madame Renard zit voor het raam wanneer ik toekom. Met haar juwelen van geslepen glas in mijn tas meld ik me bij de receptie. Ik had nog wat van haar, had ik eerder aan de telefoon gezegd, dat ze volgens mij terug wilde. De zonnestralen die door het raam naar binnen vallen hebben de ruimte flink opgewarmd. Iemand heeft de gordijnen zo gehangen dat Madame Renard niet in de zon zit. Ik benader haar met de juwelen in mijn tas. Voor ik iets kan zeggen vraagt ze: ‘Qu’est ce-que vous voulez de moi?’
Zo had het kunnen beginnen. Ik heb meerdere mogelijke scenario’s laten afspelen in mijn hoofd. Soms laat ik haar inderdaad doordraaien, zoals de buren zeiden. Dan staart ze uit het raam, er komt geen zinnig woord uit haar mond. In een ander scenario is ze pienter en kloek, geeft ze me wijze raad over de wereld en hoe ik niet altijd de stiltes moet vullen. Soms is ze een vrijgevochten feministe, dan weer een zonderlinge, getraumatiseerde vrouw. Soms vraag ik haar naar haar relatie met de buren in Givenne. Soms voelt ze wrok. Soms raast er een wind van woede in haar. In weer een ander scenario geef ik haar gewoon de juwelen terug en vertrek. Soms laat ik haar een foto van Amandine vastklemmen tussen haar dooraderde vingers. In geen enkel scenario bedankt ze me voor de interesse. En in geen enkel scenario zat ze op mij te wachten.
Als een week later mijn buurman me verzekert dat ze al jaren dood is, valt er iets van mijn schouders. Hij was erbij toen ze begraven werd. Ze heeft ook geen zoon. De man in wie de chauffagiste haar zoon herkende, moet haar vriend geweest zijn. Ik ontspan. Ik hoef haar of haar nabestaanden niet te zeggen waarom ik haar zocht in het huis en in mijzelf en wat ik dan precies hoopte te vinden. Ik hoef geen lijnen rond mijn verlangens te trekken, alsof ik het ene scenario wel en het andere niet wilde. En ik hoef haar niet te zeggen of ik juist wel of juist niet op haar hoop te lijken. Er komt geen verantwoording, geen bevestiging, geen ontluistering. Ze is er nog wel, Madame Renard, maar ik hoef niets meer van haar.

©

Martha Claeys (1994) is doctor in de filosofie. In haar werk overdenkt ze hoe mensen zich goed tot zichzelf en tot elkaar kunnen verhouden. Voor haar debuut Trots. De filosofie van een emotie ontving ze de Socratesbeker 2023. Martha host de filosofiepod­-cast Kluwen en schrijft columns voor Trouw en Knack.

Dit essay schreef Martha Claeys in het kader van het samenwerkingsproject Eenzame avonturen van Vlaams-Nederlands Huis deBuren en literair tijdschrift De Gids. Dit traject werd mede mogelijk gemaakt door Literatuur Vlaanderen.