Een interview in een achterafzaaltje in een debatcentrum
Het licht in de zaal gaat aan. Alleen de achterste rijen zijn bezet. De vrouw neemt plaats op de bank, kijkt tevreden en een beetje sceptisch rond – min of meer hoe ze in het leven staat – en denkt: nog even door de hoepel springen, dan naar huis.
De man die haar interviewt heeft haar nieuwste werk in zijn inleiding geduid als ‘een intiem literair document over een onfortuinlijk vrouwenleven’ en kijkt nu opgeheven haar kant op, overtuigd dat de woorden uit zijn mond passen op de dingen die hij denkt aan te duiden – tussen hen in een salontafel, daarop twee glazen, water dat smaakt naar oud zweet. Ze denkt onwillekeurig aan de opdracht waarnaar haar moeder leefde: goed eten en graag gezien worden.
Wat is er nu werkelijk veranderd? In de stilte luistert ze – hij, het publiek – naar het applaus dat ontsnapt uit de naastgelegen zaal, waar de grote auteur heeft gesproken. Het klinkt als een staande ovatie. Nu iemand niest beginnen anderen (opgelucht) te kuchen, de keel te schrapen, te zuchten.
De man kijkt haar nog altijd vragend aan, maar zij ziet alleen zijn vriendelijke, zelfzekere gezicht dat ze wil vastpakken, door elkaar wil schudden. Nee, zegt ze, ze heeft niets tegen de huidige man-vrouwverhoudingen. Ze plooit zich gemakkelijk naar de gedachten van een ander.
De strijd, voor wat ieder van ons als mogelijkheid heeft om te worden, begint aan de buitenkant. Dan volgt de taal, de ruimte van haar zinnen, haar gedachten, haar gesprekken – ze kijkt nog één keer naar de man, naar het publiek, naar het klappen van de handen, en staat op om naar huis te gaan.