- coördinaat: H - 53°11’37.5”N 5°51’41.6”E
Een goed bommetje
Tegen de reling van het bruggetje sta ik naast mijn fiets. Naast mij: Beer. Hij gaat een bommetje doen. De truc van een goed bommetje is helemaal ontspannen, slap en zwaar worden. Dan: jezelf ergens vanaf werpen. Op het laatste moment je spieren aanspannen, je opkrullen, en dan op je rug terechtkomen. Door een goed bommetje barst het wateroppervlak onrepareerbaar uiteen.
Beer verdwijnt onder water als een steen. De kinderen aan de waterkant gieren. Ze zijn doorweekt door de klap van zijn brede rug op het water. Op mijn zadel blijven twee druppels naast elkaar liggen. Ze glijden niet weg, ze lossen niet op. Eenmaal boven water schudt Beer zijn haar niet uit. Daar heeft hij het te kort voor geschoren.
*
In mijn kamer komt Beer klaar als een diertje, spartelend en bijna huilend. Na afloop streelt hij mijn gezicht met een plakkerige vinger. Hij laat een spoor achter dat koud opdroogt. Ik kijk naar het plafond. Er is niks op het plafond. Er zijn lijmresten op het plafond waar sterrenstelsels van fluorescerende stickers zaten. Maar die bestaan nu niet meer. Wat bestaat is Beers rug vol moedervlekken. Iemand zei laatst dat elke moedervlek een kus is van een vorig liefje. Dat vertel ik, maar hij wil me weer een filmpje van Jiskefet laten zien. Ik vind dat niet echt grappig maar Beer zegt dat ik het gewoon niet snap.
Daarna blijft hij lang ontbijten. Beer is iemand aan wie men graag jus d’orange geeft. In de keuken kletst hij met mijn moeder. Ik geloof niet dat mijn moeder meer van Beer houdt dan van mij, maar ze houdt wel meer van mij als ik met Beer ben. Ze fantaseert graag hardop dat we paraderen door de straten, zijn hand op mijn onderrug, mijn hand op mijn bolle buik, het bewijs dat ik voor altijd aan hem toebehoor. Mijn moeder moet zo hard om Beer lachen dat ze vergeet dat ze eieren bakt. Ik kijk spottend naar mijn vader aan de andere kant van de keukentafel. Het glas van Beer is leeg. Mijn vader staat op en loopt naar de koelkast.
*
Beer staat in de deuropening van mijn kamer. Zijn schouderbladen raken aan beide kanten de omlijsting van de deur. Alsof hij is opgehangen aan een waslijn; twee knijpers aan zijn schouders. Achter hem lig ik op mijn bed, voor ons ligt helemaal niks. Voor ons ligt een trap met beige vloerbedekking, mensen die altijd instemmend naar hem zullen knikken en een voortuin met een barbecue, een die nooit kapot kan, een Green Egg. Als je een Green Egg op beton gooit, dan nog is hij niet kapot, zelfs als je dat zou willen. Je mag er dan mee naar de Green Egg-winkel voor reparatie. Daar heb je nou eenmaal gewoon recht op.
Beer draait zich om. Grote oren, stugge wenkbrauwen.
Kom, zegt hij. We gaan zwemmen.
Ik kijk naar Beer. Hij kijkt terug. We glijden niet weg. We lossen niet op.