De put
Vroeger vertelde ik de buurtkinderen dat er een man onder de ronde put in de Rue du Sabot woonde. Jullie moeten het zelf weten, zei ik dan, maar als je te dichtbij komt, fluistert hij vieze dingen. Ik had niet bedacht om wat voor vieze dingen het ging, maar het bleek genoeg om de kinderen te doen omlopen. Het voelde fijn om hun looproute te beïnvloeden met iets wat ik had verzonnen.
Elke dag maak ik dezelfde wandeling van mijn flat naar de academie. Juist als je dezelfde route loopt, ga je meer zien, had een docent gezegd die om onduidelijke redenen maar twee weken lesgaf. Toch is het de belangrijkste les die ik tot dusver heb geleerd. Ineens begon ik de kleine veranderingen op mijn route waar te nemen: de verkleuringen van de bladeren, de reflectie van het zonlicht in de verschillende formaten autospiegels, hoe bij nummer 59 elke dag de krantenartikelen uit Le Monde achter het raam worden geplakt voor buren zonder abonnement en zelfs het humeur van de magere bakkersvrouw kan ik door de vitrine heen categoriseren als ‘gemoedelijk’, ‘onrustig’ of ‘moe’. Ik weet hoe ik moet kijken, maar vandaag loopt alles anders. Nooit eerder keek ik zo angstig naar de bodem.
Ik weet het zeker, de stem komt uit de put. Gelijk denk ik aan de man met zijn vieze woorden, maar er klinken geen vieze woorden, het is mijn naam. Ik kijk om me heen, niemand lijkt het stemgeluid te horen. Ik twijfel of ik moet terugroepen, schuifel wat heen en weer en besluit dan door te lopen.
De volgende dag overweeg ik een andere route te nemen, blijf stilstaan op de hoek van de begraafplaats maar sla dan toch af waar ik altijd afsla, groet de bakkersvrouw (onrustig) en loop recht op de put af. Dat anderen mijn verzinsels geloofden betekent niet dat ik het ook moet doen, maar zodra ik met mijn voeten voor de ronde deksel sta, begrijp ik dat het niet om verzinsels gaat. Het gaat niet over geloven.
Voor de zekerheid spreek ik een vrouw met een rolkoffer aan. Ze kijkt achterdochtig, maar komt toch dichter tot de put, zakt door haar knieën en drukt haar oor voorzichtig tegen de deksel.
‘Norris Goulet,’ zegt ze. Ik vraag of ze nog eens wil luisteren. Dat wil ze niet.
‘Goulet,’ zegt een kind dat ik met twee euro overtuig zijn hoofd op straat te leggen.
‘Ja, zeker weten, de stem komt uit deze put,’ verklaart een oude man die met zijn wandelstok op de deksel tikt. Steeds meer mensen komen bij mij staan en bevestigen dat mijn naam uit de put klinkt.
Het liefst zou ik wegrennen en verdwijnen, een willekeurige bus nemen waarna geen van al deze mensen mij ooit nog terugziet, maar als ik mijn verantwoordelijkheid niet neem en vertrek, zullen ze de politie bellen. En binnen een uur zullen twee agenten mijn atelier binnenvallen. Ze zullen eerst iets zeggen over kunst en over de geur van olieverf. Daarna zullen ze mij aan mijn haren naar buiten trekken, terug naar de put. Ze zullen de put openen en met een soepele zwaai van hun wapenstok naar beneden wijzen. ‘U wordt geroepen,’ zullen ze zeggen.
Ik ben in mijn leven nog nooit weggelopen van mijn verantwoordelijkheid, dus nu ook niet. Met behulp van de omstanders til ik de putdeksel op, mijn naam klinkt harder nu. ‘Ik word geroepen,’ zeg ik rustig, ‘dus ik zal afdalen.’ De omstanders knikken instemmend terwijl ik wazig in het zwarte gat staar. ‘Morgen zal ik afdalen,’ verbeter ik mijzelf.