De dood van Romeo de circusleeuw
Krap 48 uur nadat Aboudi hem inwijdde in de taal van de arabesk, zaten ze samen in een theehuis op de hoek van Mohamed Naguib. Het gebouw had de vorm van een trapezium waarin alle muren van spiegels voorzien waren. Fouad keek naar het plastic krukje dat tussen hen stond.
‘Gisteren is Romeo de circusleeuw overleden. In Tanta beet hij de hand van zijn dompteur eraf en hebben ze hem direct afgemaakt.’ Ook Aboudi keek naar het krukje, naar het pakje sigaretten dat tussen hun koppen thee in lag.
‘Je bedoelt: gisteren is Romeo de circusleeuw vermoord.’
‘Zeg het hoe je wilt. Gisteren is Romeo de circusleeuw vermoord, gisteren gaf Romeo de circusleeuw zijn laatste show, gisteren blies Romeo de circusleeuw zijn laatste adem uit.’ Hij greep naar het pakje en trok er een sigaret uit.
‘Het doet ertoe hoe je het zegt.’
‘Volgens mij verandert het weinig aan het feit dat Romeo de circusleeuw dood is. En even tussen ons, het maakt mij niets uit. Ik ben één keer naar een circus geweest en daar waren niet eens leeuwen.’ Aboudi stak zijn sigaret aan.
‘Het is barbaars.’
‘Integendeel, het is een eeuwenoude traditie. Amenhotep III was zo trots op zijn leeuwenjacht dat hij het op honderden scarabeeën liet navertellen. Je kunt ze nu zien van Boston tot Berlijn. Zelfs dat museum van jou zal er wel eentje van hebben. En als jullie er geen hebben, is dat zo geregeld.’
‘Nee, nee, zo’n museum is het niet. Wij laten geen spullen zien, we vertellen verhalen. Daarom ben ik hier.’
‘Maar jongen, ik dacht dat je oudheden wilde smokkelen. Als je alleen maar verhalen zoekt, ben ik je man. Op mijn twee ogen.’ Aboudi glimlachte zo breed dat Fouad de constellatie van zijn tandsteen kon natrekken.