Als kind verzamelde ik dieren zoals andere kinderen knikkers verzamelen. Ik hield pissebedden tegen het licht en hoorde hun pantser klikken als de juwelendoosjes van klasgenoten. Ik gaf namen aan de spreeuwen op het dak en trok regenwormen uit de modder, die naar oud ijzer rook. Tijdens familiebezoeken kroop ik onder het ovalen tafelblad en volgde met mijn vinger het nerveuze spoor van mieren langs gedraaide stoelpoten omhoog, terwijl boven mij de stemmen van geparfumeerde vrouwen tegen elkaar botsten en braken als servies. Niemand boog om de scherven op te rapen. Niemand zag de mieren.
Jaren later, aan dezelfde ovalen tafel, botsen dezelfde stemmen met de mijne. ‘Dat is dan jouw waarheid’, zeggen ze. Het lijkt een vriendelijke manier om ons gesprek te beëindigen, alsof we even hebben geprobeerd elkaar te begrijpen, maar het nu welletjes is geweest. Alsof waarheid een huis is waar je in en uit kunt lopen, naar eigen smaak ingericht met bonte kussens of tegels in zwart-wit. Alsof mijn woorden geen aanspraak mogen maken op de wereld, alleen op mezelf.
Maar ik besta niet op mezelf. Ik heb dat nooit gedaan. Als ik waarheid beter wil begrijpen moet ik, net als vroeger, luisteren naar alles wat hijgt, knort, sist, fluit of piept. Niet naar de stille hamster in een plexiglazen kom of de monddode koe die we vacuüm verpakken voor 13,30 euro per kilo. Wel naar de pissebed, de regenworm en de mier. Of naar minder bekende wezens, zoals het beerdiertje, de inktzwam en de glaskatvis. Zij laten zich niet reduceren tot knuffeldier of vleeswaar.