KMSKA LAAT | Kunst als levenslijn

Achter de bergen

door David Weel

Datum 19 februari 2026
Door

Oud-schrijfresidenten Oumaima Belkhdar, David Weel, Sarah de Koning, Mahat Arab en Marlena Tokarska lieten zich inspireren door René Magritte en brengen hun nieuwe werk op een feestelijke avond in het museum KMSKA.

Uiteindelijk is het een schilderij van een tafel met een brood en van de avond waarin zij met dat stokbrood in de lucht wees en vertelde dat ze vechten daar achter de bergen.

Achter de bergen

Ze wees nog met dat brood in de lucht.

“Kijk dat is de boogschutter en daar achter de bergen wordt gevochten nu. En wij hier, met dit brood, gekaderd tussen muur en nacht.”

Ze heeft wat weg van een nieuwslezer, statige houding en ze articuleert goed. En ik, laten we mij de toeschouwer noemen. Twee mensen op een balkon, we zouden vrienden kunnen zijn. Nu staan wij hier voor iets anders. En ik maar denken, ze moet niet in dat brood knijpen, niet in dat brood knijpen, niet te hard tenminste en of ze zweethanden heeft.

“Heb je zweethanden?”

Ze denkt van niet. Voelen dan.

Ze legt het brood op tafel, geeft zich over, toont haar handen. En ik leg de mijne in de hare, voor even. Geen zweethanden.

“Brood moet knapperig zijn,” zeg ik, “te allen tijde, je moet het horen breken.”

Ze knikt, ze antwoordt: “Zie je die boom daar in het dal?”

“Het is te donker,” zeg ik.

“Die boom, je ziet die boom toch.”

Ik zeg dat ik het niet zie. Ik zeg dat ik veel zie, doorgaans, maar die boom, onmogelijk. Weer wijst ze met dat brood. “En de maan dan, je ziet die maan toch toch de maan je ziet die maan toch maan die ziet je toch zie je maan die toch zie je maan maan die toch maan ziet je je maan ziet die toch zie je de maan, de maan, die sikkel, zo helder afgetekend tegen het gebladerte.”

Ik schud mijn hoofd.

“En de boom, je ziet de boom, je hoort de boom te zien de boom, de boom, daar in het midden, je toch ziet de boom de toch, toch de boom je ziet, de boom bom, daar het gebladerte geboom, gebom, je ziet het toch de boom, je ziet de boom.”

“Nee, ik zie het niet.”

Dan richt ze het brood zorgvuldig, wijst naar mij en zet een stap. “Die boom, je gaat nog een keer heel goed kijken,” en plant dan de punt van het brood in mijn wang, drukt mijn hoofd naar de verte.

Ik ruik: zoetige geur van graan, karamel, licht bitter, een bakker, bakkershanden en de stevige kneedbewegingen die zij maakt elke nacht opnieuw, en wat ze denkt in die nachten, wat zou ze denken of zou ze naar de radio luisteren, zou ze de woorden zo vanuit de radio het brood in kneden, over bezet gebied, een president, gemaskerde agent, een schot, hij schiet en over vandaag is het zestien september, het is nog mild buiten en de hemel is helder, je kan de boogschutter zien staan en achter de bergen wordt gevochten nu.

“Och leg ’m toch even neer,” zeg ik, “de tafel staat hier niet voor niets.”

Langzaam haalt ze het brood uit mijn gezicht.

En terwijl we praten over de tafel die ooit een boom was, die ooit een bos was, want kijk, de nerven sluiten niet op elkaar aan, de kleur is niet gelijk, in dit meubel brachten ze bomen samen van over de hele wereld want dat is goedkoop, en over de vraag voor wie het goedkoop was, legt ze dat brood toch even neer.

En dan vergeten. Verder praten. Misschien wel een uur. Niet meer aan dat brood denken. De geur niet meer ruiken. De bakkershanden niet meer. De radio stil. En dan in mijn ooghoek dat brood in de vorm van een vlek. Dat verdomde brood. Ik zie hoe het zich over de tafel verplaatst. Lijkt te verplaatsen. De wind kan het niet zijn. Lag het daar altijd al of schuift het uit eigen beweging langzaam mijn blikveld binnen?

Dit is geen brood zullen ze later zeggen, het is een dier in de vorm van een brood. Het is geen dier in de vorm van een brood zullen ze zeggen, het is het idee van een brood dat je doet denken aan een dier, een naaktslak, een duizendpoot misschien, geen idee. Geen idee. Uiteindelijk is het een schilderij van een tafel met een brood en van de avond waarin zij met dat stokbrood in de lucht wees en vertelde dat ze vechten daar achter de bergen.

“Waarom? Waarom vechten ze?”

Ik zie dat zij het ook niet weet, zij ziet dat ik het niet wil weten.

“Uren liep ik door de straten van een stad”, zegt ze.  “Ik was je kwijt. Dus ik zocht je met een man die mij ruimhartig advies gaf, toen een putdeksel openwrikte en verdween in het gat. Ik zocht je met een wandelaar, wandelde vier straten met haar mee tot we weer bij het beginpunt waren, ik zocht je aan loketten, stond in lange rijen, volgde bordjes en nu ik je eindelijk gevonden heb, lukt het met niet. Hoe vaak moeten we elkaar nog vinden voor je het ziet. We zouden vrienden kunnen zijn, inmiddels.”

Ik knik. Ze herkent mijn handen, ze weet hoe ik mijn zinnen construeer, ze weet diep van binnen dat ik die boom boom, dat ik de maan maan, ik zie het heus.

 Kan ik stellen dat ik je ken?”, vraagt ze.

“Ja, je nam dit brood voor me mee”, zeg ik. “Een goed brood, dat zie ik zo, knapperig.”

“Beeld je eens in,” zeg ik, “het lekkerste stokbrood dat je ooit at en dat dan hier vergeten terwijl we kijken hoe het donker wordt, hoe de sterren langzaam hun plek kiezen, hoe de bommen blijven vallen daar achter de bergen, gewoon voor even dat stokbrood vergeten.”

Als we op dit balkon staan, zal het altijd zo gaan, zij links, ik rechts en dan kijken naar de bergketen aan de overkant en hoe de lucht steeds donkerder kleurt. Wie de contouren van het gesteente niet meer kan onderscheiden van de hemel, is af.

© Jurgen Delnaet

David Weel (1998) is schrijver, podcastmaker en journalist. Hij werd geselecteerd voor het Das Mag Zomerkamp en was in 2023 schrijfresident van deBuren in Parijs. Zijn werk verscheen onder meer in De GidsDW B en op Crossing Border. Voor de Nederlandse omroepen VPRO en NTR maakt hij audioverhalen. Zijn audiodocumentaire Als ik morgen doodga werd in oktober 2025 genomineerd voor de grootste Vlaamse podcastprijzen in de categorie verhalende podcasts. Vanaf januari 2026 werkt David op de audioredactie van NRC. 

Alles bekijken

Geïnspireerd door: René Magritte, L'avenir / De toekomst / The Future, 1936, olieverf op doek, 73 × 83,5 × 5 cm (Inclusief lijst), Banque CPH
en: René Magritte, Zestien september, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen (KMSKA) – Collectie Vlaamse Gemeenschap © Succession René Magritte - SABAM Belgium, 2025

Deze tekst is geschreven in opdracht van deBuren in samenwerking met het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen. De tekst werd live voorgedragen in het museum op 19 februari 2026.