Deze website wordt niet langer ondersteund in Internet Explorer. Update hier je browser voor een betere ervaring.

Hoe magie werkt

Voor het talentontwikkelingstraject Eenzame Avonturen zonderde Nikki Dekker zich maanden geleden al af, in een hutje in het bos. Zij schreef er een essay over haar fascinatie voor magie, waarin ze in één beweging de geschiedenis en de perceptie van hekserij verkent. ‘Mijn vrienden doen het af als klinkklare onzin, maar wanneer ik hun tarotkaarten lees, breekt het zweet ze uit.'
Door Nikki Dekker op 15 apr 2020
Podcast
Literatuur & taal
Eenzame Avonturen
Blijf-in-uw-kotcast
© Nikki Dekker en Yentl van Stokkum

Ik heb een huisje gehuurd in het bos, voor vijf dagen. Er is geen wifi en mijn telefoon heb ik uitgeschakeld. Het is hier stil – dat wil zeggen: er is geen geluid van andere mensen. De koelkast ruist, de gaskachel kraakt en ploft af en toe luid wanneer de kast in- of uitzet. Met brandende salie loop ik door het huisje, wapper de rook alle kanten op. Op een bijzettafeltje leg ik een afbeelding van Baba Jaga. Daarvoor plaats ik een paarse kaars, donkere maansteen en wat steenkool.

     Wat voor avontuur begint nu opgesloten in een huisje met twee volle shoppers en een hoofdpersoon die zich afzondert van de rest van de wereld? Dit is hoe het in sprookjes werkt: de heks gaat nergens heen, zij wordt bezocht; misschien door geesten, misschien door nieuwe ideeën, misschien door dorpelingen in nood. In het echte leven gaat het zo: ik ben de heks en ik sluit me op – ver weg van alle dagelijkse taken – en ik wacht af.

     Als kind plukte ik planten en roerde ze in een emmer water. Ik prevelde bezweringen boven het goedje, dat aanvankelijk op heksensoep leek maar al snel uit elkaar viel en verwerd tot een bruingrijze drab. Ik verzamelde stenen en stalde schelpen uit in mijn kamer, en als ik buikpijn had, hoefde mijn moeder maar tien keer met de klok mee over mijn buik te aaien om de pijn weg te nemen. Die tijd, waarin ik geesten zag of dingen voorvoelde, is voorbij. Inmiddels weet ik beter. Ergens heb ik gelezen dat veel vijfjarigen geesten zien omdat hun hersenen zich in een ontwikkelingsfase bevinden. Het is een soort van kortsluiting die ze geesten laat zien, vergelijkbaar met de déjà-vu; een fout in de communicatie tussen regionen. Niet magisch, maar verklaarbaar. Wetenschappelijk. Feitelijk.

     Wanneer ik tarotkaarten leg, een spreuk uitspreek, een bepaalde steen bij me draag of een stuk papier met een bezwering verbrand, ben ik voor zeker de helft aan het toneelspelen. Ik ben een heks zoals ik als kind een leeuw was, of Batman: ik trek een kledingstuk aan, beweeg me op een andere manier, gebruik andere woorden en heb vooral heel veel plezier in het zijn van iets waarvan ik weet dat het niet écht is.

     En toch.

 

De heks is terug. Ze speelt in Netflix-series (Chilling Adventures of Sabrina, Siempre Bruja, The Witcher) en op Instagram staan miljoenen foto’s van edelstenen en maankalenders, en Vice publiceert artikelen als ‘Ik liet mijn vriendschap zegenen door heks Ingrid’ en ‘We spraken vrouwen die met hun orgasmes toveren’. Op de Women’s March komen kartonnen borden voorbij met de tekst wij zijn de achter-achterkleindochters van de heksen die je niet hebt verbrand. Het archetype dat eeuwenlang diende om kinderloze, alleenstaande, oude vrouwen verdacht te maken, is een feministisch symbool geworden.

     Eind 2016 en begin 2017 verschenen berichten over heksen die president Trump probeerden te ‘binden’; een bezwering waarmee een heks het (kwade) handelen van een ander tracht te beperken. Time Magazine plaatste een video waarin een stuk of tien vrouwen en een enkele man op de stoep voor Trump Tower scanderen en kaarsen branden. Een voorbijganger begint tegen ze te schreeuwen: ‘Dit heeft geen plek in de Amerikaanse democratie,’ zegt ze in de camera, ‘en om via magie de wil van de president terzijde te schuiven, vind ik een ziek idee.’[1] Dat is grappig omdat de vrouw blijkbaar gelooft dat magie werkt. Of het is interessant omdat ze begrijpt hoe magie werkt: aan twee kanten.

     Magie is als die mop over de man die een jaar lang elke avond bad: ‘God, laat mij de loterij winnen.’ Totdat God het beu werd en in de slaapkamer, waar de man op blote knieën op het laminaat zat te bidden, verscheen en uitriep: ‘Beste man, koop alsjeblieft een lot!’ Ook de heks vraagt een macht buiten zichzelf om haar wens uit te laten komen, maar ze beperkt zich niet tot dromen en onderneemt ook concrete stappen. As above, so below, luidt een van de heksenmantra’s: als je om een bovennatuurlijke oogst vraagt, moet je beneden, in het dagelijks leven, zaaien.

     Hekserij is inherent politiek. Het gaat uit van de maakbaarheid van deze wereld. De praktijken die moderne heksen aanhouden werden grotendeels vormgegeven tijdens de jaren zestig door een stel Britse hippies, die hekserij wilden laten ‘heropleven’ (of de traditie die ze beschrijven vóór de twintigste eeuw überhaupt als hekserij werd gebezigd, is nogal twijfelachtig). Toenmalige flower power-heksen stelden een hogepriesteres aan als hoofd van hun kring, dansten naakt in een cirkel, beleden polyamorie, en zochten naar alternatieve staten van bewustzijn – allemaal gigantische middelvingers naar de ‘normale’ samenleving.[2]

     Die middelvingers lijken verdwenen. Wie op Instagram zoekt naar #witchcraft (want daar profileren de jonge heksen zichzelf) vindt geen spreuken of meditaties, maar sferische foto’s van edelstenen, kaarsen, dagboeken, sieraden en oliën – producten die je kan kopen via de Instagramaccount. Of dat de kracht van hekserij vermindert, weet ik niet. Misschien zegt het meer over onze neiging om een identiteit met spullen op te bouwen. Het is nog altijd mogelijk te heksen zonder een kast vol instrumenten. De meeste spreuken vereisen slechts iemand die ze uitspreekt, en voor een ritueel heb je niet meer nodig dan aarde, zout, water en vuur. Oftewel, wat keukenzout, een achtertuin en een vuurkorf.

 

Kabouterbos en geldbomen

Al drie dagen ben ik in het huisje. Iedere middag maak ik dezelfde wandeling. Sommige bomen komen me bekend voor. Ik groet ze in gedachten. Het voelt alsof er iets tussen de bomen en mij ontstaat, een soort verbinding – maar ik kan die gedachte niet afmaken.

     Zweverig gedoe.

     De ontdekkingsreiziger en schrijver Arita Baaijens vertelde me eens dat ze als bioloog altijd sceptisch had gestaan tegenover verhalen over ‘bezielde natuur’. Ze begreep wel dat iets groter wordt als je het betekenis geeft, als je het ritueel bezoekt en een naam geeft, maar ze was ook wetenschapper: ze geloofde niet in vage begrippen die onzichtbaar of onbewijsbaar waren. Dat veranderde allemaal toen ze alleen in een tentje schuilde voor een storm. De volgende ochtend keek ze om zich heen, en ze zag het. Ze had al vaak verhalen gehoord over begeesterde bomen, rotsen en rivieren, maar pas toen ze het zelf voelde, kon ze het bevatten. Zoals je in een stuk mos een gigantisch kabouterbos kan ontwaren. Wat je aandacht geeft, wordt bijzonder. En waaraan je je aandacht schenkt, mag jezelf kiezen.

 

Deze spreuk vereist een trage, kalme beek. Begraaf nabij een munt aan de voet van een boom en pluk drie bladeren. Bedank de boom. Goede manieren zijn belangrijk, ook in de hekserij. Laat vervolgens een blad op het water drijven. Zeg: ‘Drijvend blad, groen blad,  laat me zien wat ik eerst niet zag.’ Herhaal dit twee keer met de andere bladeren. Kijk hoe de stroom ze meeneemt. Voel hoe alles stroomt.

     Mijn rationele deel vraagt zich af waarom ik een munt aan een boom zou geven. Het is een kwestie van gelijk oversteken, lees ik: je neemt iets wat belangrijk is voor de boom, en je geeft iets terug waaraan jij waarde hecht. Sommige mensen gooien een munt in het water. Putten en fonteinen liggen er vol mee. In Engeland staan verschillende zogenaamde ‘geldbomen’, bomen die geluk schijnen te brengen, waar mensen hun munten in de bast hebben geduwd. Sommige geldbomen lijken helemaal uit munten te bestaan, hun bast doet denken aan een roestige laag schubben, zoals een drakenhuid.

 

Zwaarden Vier

Ik loop op een smal zandpaadje naast een brede weg, drie auto’s rijden langs. De voorste bestuurder, een man in een bestelbus, zwaait nog even, maar de andere twee niet. Ze rijden langzaam langs. Ineens weet ik het weer: met meisjes die alleen in het bos dwalen, loopt het doorgaans slecht af. De enige vrouw die onbekommerd het bos kan betreden, is de heks.

     ‘Knibbel, knabbel, knuisje, wie knabbelt er aan mijn huisje?’ Altijd als mijn moeder dit voorlas, trok mijn onderbuik samen. Wanneer de heks Hans in een kooi had opgesloten en elke dag aan zijn vinger voelde om te controleren of hij al dik genoeg was om de oven in te gaan, hield ik mijn adem in. Ik was niet Grietje in dit verhaal, ook niet Hans, maar de heks. Ik snakte naar eenzelfde macht, die me in staat zou stellen om ongehoorzamen te straffen, zoals ik werd gestraft als ik niet luisterde. Als achtjarige deelde ik mijn ouders plechtig mee: ‘Als ik later ga trouwen, moet mijn man altijd naar mij luisteren. Luistert hij niet, dan stop ik hem in de kast bij de vleermuizen.’

     In sprookjes zijn heksen absoluut autonoom. De heks die op de brandstapel zou eindigen, ontstond in Europa pas toen vrouwen hun vrijheid verloren. Feministische historici als Barbara Ehrenreich en Silvia Federici hebben de relatie tussen misogynie en heksenvervolgingen onderzocht. In de late middeleeuwen (ca. 1270-1500) konden vrouwen zich nog van alles permitteren: ze brouwden hun eigen bier en hingen tot diep in de nacht in de kroeg met hun vriendinnen. In het veertiende-eeuwse Italië kon een vrouw in haar eentje een rechtszaak aanspannen tegen een man die haar had aangevallen. Twee eeuwen later was het vrouwen verboden om tegen hun mannen in te gaan of te praten in het openbaar.[3]

     Dit is het deel van het heksenverhaal waarin mensen nog wel interesse durven te tonen. Dit is de geschiedenis en de feministische lezing daarvan is salonfähig. Dit is het deel waar mijn vrienden wel naar willen luisteren. Dat andere deel; de intuïtie, de spiritualiteit, de magie, maakt de meesten giechelig. Ze doen het af als bijgeloof, maar wanneer ik hun tarotkaarten lees, breekt het zweet ze uit. Ze staren verbeten naar de vijf kaarten op tafel, frunniken aan hun mouw. Als ik een kaart omdraai, ontsnapt ze een zorgelijk: ‘Is dat goed nieuws? O jee, dat kan niet veel goeds betekenen...’

     Tarot, spreuken en hekserij delen eenzelfde aantrekkingskracht als literatuur: alles draait om symboliek, archetypes en de ontwikkeling van de hoofdpersoon. Zowel de lezer als de heks krijgt de kans in een ander te veranderen, en deel te worden van een geheime interactie. Wie tarotkaarten legt, is ingewijd in een exclusief genootschap en spreekt een mysterieuze taal.

     Zoals ik als kind ieder speelgoedautootje een naam gaf, ruzies voor ze verzon, en de auto’s hun conflicten weer uit liet praten, zo gebruik ik tarotkaarten: om te ontdekken wat in me omgaat. Iedere omgedraaide kaart geeft vorm aan de nevel: aha, dit speelt er nu. Een dagboek verandert vermoedens te snel in woorden, die zich schikken op een horizontale lijn in een volgorde: lidwoord, onderwerp, werkwoord, lijdend voorwerp. De kaarten liggen juist ongeordend voor me, ik lees ze als gezichtsuitdrukkingen en beeldspraak. Verborgen angsten, genegeerde gevoelens, weggedrukte gedachten; zoveel dingen in het dagelijks leven wil ik niet zien, maar de kaarten leggen juist die verborgen elementen bloot. Als ze iets voorspellen wat ik herken, kan ik mijn schouders erover ophalen. Als ze de plank volstrekt mis lijken te slaan, kan ik bedenken dat er dingen in mijn leven spelen waarvan ik zelf geen weet heb. Als ik voor de zoveelste dag op rij Zwaarden Vier trek, kan ik geërgerd naar mijn kaarten roepen: ‘Ja ja, nu weten we het wel.’

 

Chaosmagie en Jack Sparrow

Ik ben bang dat dit nogal een vreemd, ontoegankelijk essay wordt. Daarom heb ik er een zegel, een magisch symbool, voor gemaakt. Als ik het oplaad, door intense concentratie, en dan loslaat in een van de elementen (water, vuur, lucht, aarde), zal het ervoor zorgen dat ik deze tekst begrijpelijk en toegankelijk kan houden. Dat opladen klinkt vaag maar kan gemakkelijk worden gedaan door klaar te komen (‘We spraken vrouwen die met hun orgasmes toveren’). Tijdens het masturberen moet ik de tekening voor ogen zien en gedurende het orgasme moet ik visualiseren hoe de zegel brandt van energie. Vervolgens duurt het drie dagen, weken of maanden voor de spreuk is vervuld. Ik begin:

 

     ‘Ik wil een overtuigend, meeslepend en poëtisch essay schrijven over hekserij.’

     Daarvan mogen alleen de medeklinkers gebruikt worden:

     KWNVRTGNDMSLPNDPTSCHSSSCHRVNVRHKSR

 

De letter s komt het meest voor, dus dat wordt de basisvorm van mijn zegel. Daarna voeg ik lijnen toe die de belangrijkste woorden verbeelden. Overtuigend: een boog die een idee optilt. Meeslepend, een beweging van rechts (ratio) naar links (intuïtie). Poëtisch: (wit)ruimte. Hekserij: zoals boven, zo beneden:

   

  Elke middag wandel ik in het bos. Terwijl ik loop voel ik het papiertje in mijn linkerborstzak stug meebewegen op het ritme van mijn passen. Ik kijk op naar de bomen, maar ik kan niets maken van hun ruisen, hun koude, kale, aalgladde stammen tegen de witbewolkte lucht. Ik sla paden in die me aanspreken, loop in cirkels opvliegende mussen achterna. Dit zou helpen mijn magisch bewustzijn te ontwikkelen. Ik kijk naar de grond, op zoek naar vogelveren die in een bepaalde richting wijzen, of takken die iets zouden kunnen betekenen. Ik probeer mijn hoofd leeg te houden, maar wordt geplaagd door een ironische oorwurm: ‘Bibbity Bobbity Boo’ uit Disney’s Assepoester.

     Magische zegels vormen een centraal onderdeel van chaosmagie, een eclectische vorm van hekserij, waarin ieder zijn eigen combinaties maakt van praktijken uit natuurgodsdiensten, psychologie en popcultuur. Het zegel is een van de weinige constanten: een manier om een visuele verbeelding van je spreuk te maken, die kracht krijgt door jouw geloof erin. Dat klinkt wazig, maar deze vorm van magie kom je overal tegen: Disney heeft een eigen zegel, net als Nike, Starbucks en McDonalds. Wij dragen het zegel en geven hem kracht: als we trots zijn op onze Nikes, wordt Nike machtiger.[4] Dit gaat verder dan wat opduikt op posters en kledingstukken. De gevouwen handen van Merkel zijn zo groots geworden als symbool, dat de Duitsers er een naam voor hebben (‘Merkel-Raute’), een emoticon (<>) en een scheepslading internetmemes. Elke keer als we Merkels gevouwen handen zien, zien we macht, daadkracht en veiligheid. De handen van iemand die een land, een continent, of de hele wereld kan besturen.

 

Steeds hoor ik de stem van een vriend in mijn hoofd. ‘Maar je zegt aan het einde van het essay wel dat het allemaal klinkklare onzin is, toch?’ Hij is een Steenbok, mensen waar ik over het algemeen goed mee kan opschieten, omdat mijn Mercurius (de planeet van relaties en communicatie) in Steenbok staat: gestructureerd, duidelijk, rationeel. Het heeft echter geen enkele zin om magie te verdedigen. Je gelooft erin, of je gelooft er niet in.

     Als ik op zoek ga naar de geschreven geschiedenis van hekserij, kom ik niet veel verder dan Gerald Gardner (1954) of Margaret Alice Murray (1921).[5] De grote godsdiensten baseren zich tenminste op eeuwenoude teksten, en worden jaarlijks over de hele wereld gevierd. De kerstbomen, pompoenen en paastakken stammen misschien af van heidense gebruiken, inmiddels is hun occulte herkomst vergeten.

     Er is een scène uit Pirates of the Caribbean: Dead Man’s Chest die de kracht van hekserij uitlegt. Piraten varen in een klein roeibootje door een dichtbegroeid moeras. Het is nacht. Ze kloppen aan bij de boomhut van Calypso. Jack Sparrow vraagt haar hulp bij zijn strijd tegen Davy Jones, waarna ze hem een glazen pot vol aarde overhandigt.

     ‘Aarde,’ zegt Jack. ‘Dit is een pot met aarde.’

     ‘Ja...’ zegt Calypso, enigszins geërgerd.

     Voorzichtig probeert Jack: ‘Gaat de pot met aarde helpen?’

     ‘Als je ’m niet wil,’ zegt Calypso, en zet een dreigende stap naar voren. ‘Geef je ’m toch terug?’

     ‘Nee, nee!’ zegt Jack en drukt de pot tegen zijn borst.

     Ze glimlacht. ‘Dan helpt-ie.’

     Nadat ik een spreuk heb uitgesproken ter bescherming van mijn kat, ga ik niet langer nerveus door het raam naar buiten kijken. Ik weet wel dat mijn spreuk niet zal verhinderen dat mijn kat onder een auto loopt. Tegelijkertijd weet ik dat ik alles heb gedaan wat ik kon doen om hem te helpen. In die wetenschap slaap ik rustiger.

 

Inquisitie en incels

In groep drie hing een poster van Aladdin aan de muur, de Disneyfilm uit 1992. Aan het begin van de les zongen we liedjes en werden we voorgelezen, en terwijl dit alles gebeurde, staarde ik naar de Geest, de blauwe gedaante die op de filmposter boven Aladdin en Jasmin zweefde. ‘Boven de wolken, boven de wolken, woont God de Heer, hij zal voor u zorgen, nu en morgen, altijd weer. Amen.’

     Mijn geloof in God was devoot en allesomvattend. ’s Avonds zat ik op mijn knieën voor mijn bed te bidden, en ik werd boos als mijn ouders vloekten. Maar toen ze me vertelden dat Sinterklaas niet echt bestond, kantelde iets in mijn hoofd. Kende ik niet nog iemand, iemand die ik nooit had ontmoet, maar die over mij waakte en mij beloonde? Iemand die hulpjes had en kinderen strafte die zich niet netjes gedroegen?

     Ik mis het geloof: de rituelen van het dagelijkse bidden, de uitgesproken dankbaarheid voor maaltijden, de feestdagen waarop ik steeds opnieuw naar dezelfde verhalen luisterde, en bovenal het gevoel dat een onzichtbare kracht over mijn schouder meekeek, die het beste voor me wilde en bij me was als ik me eenzaam en machteloos voelde. Nog een paar keer ben ik op zoek gegaan, in kerken en boeken, maar bij iedere traditie werd de weg versperd door een god, een machtige Sinterklaasman met geboden en straffen, een mythische en onverbiddelijke figuur die zeeën splijt, mensen uit ribben kneedt en doden tot leven wekt. Geweldige verhalen, maar voor mij niet meer dan dat.

     Waar ik wel in geloof, is dat alles met elkaar is verbonden (omdat immers alles uit moleculen bestaat), dat je met wilskracht de wereld kan veranderen (via de politiek, via activisme, via goede gewoontes waar je je leven lang aan moet spijkeren), dat je met aandacht iets laat groeien, en dat woorden, symbolen en gebaren macht hebben. Dat het zin heeft om stil te zijn. Dat je niet alles kunt weten. Dat de mens iets groters wil dienen. Dat je dat grotere voorzichtig moet kiezen, zodat het jou niet kleiner maakt.

 

Ik zit op mijn hurken in een open plek in het bos, in het midden van een driehoek gevormd door toevallig zo gevallen takken, met een half afgebroken tak als koepel over me heen, en druk mijn beide handpalmen in de aarde. ‘Veilig zijn de vogels, de salamanders, de mieren,’ zeg ik, terwijl ik me voorstel dat mijn energie in groene en paarse spiralen diep in de aarde wegzakt.

     Het lukt me niet goed over deze handelingen te schrijven zonder mezelf compleet belachelijk te vinden. Hekserij, houd toch op. Het is zowel cliché als marginaal. Alwéér een kunstenaar die oproept tot mysticisme! Alwéér een zogenaamde herleving van vrouwelijke spiritualiteit. Wie zit daar nou op te wachten? Heksen bestonden voor de twintigste eeuw alleen in onze verbeelding. De heksenvervolgingen uit de middeleeuwen waren klopjachten op onschuldige mensen, die – naar alle waarschijnlijkheid – niets met sjamanisme of magie van doen hadden; enkel met veranderende sociale verhoudingen, economische terugval en hongersnood. Op de smeulende resten van de brandstapels van de heksenjachten ontstond het patriarchaat waartegen eenentwintigste-eeuwse vrouwen in verzet komen: de wereldvisie waarin vrouwelijke seksualiteit enkel deugdzaam is als ze kinderen produceert, waarin vrouwen beestachtige wezens zijn die hun mannen dienen te gehoorzamen, omdat ze van nature hysterisch, zwak en dom zijn.

     Als ik Malleus Maleficarum lees, het manifest van inquisiteur Heinrich Kramer (ca. 1430-1505), doet het me denken aan de overtuigingen van de zogenaamde ‘incels’ (involuntary celibates). ‘Alle hekserij komt voort uit vleselijke lust, die bij vrouwen onverzadigbaar is,’[6] schreef Heinrich Kramer in 1487. Elliot Rodger, de incel die in 2014 zes mensen vermoordde, schreef in diens manifest dat de vrouwelijke hersens nooit verder zijn geëvolueerd dan het dierenbrein, waardoor ze enkel hun beestachtige impulsen volgen.

     Zowel vijftiende-eeuwse inquisiteurs als hedendaagse incels geloven dat de dood de enige gepaste straf is voor een ‘kwaadaardige’ vrouw, of die nu komt in de vorm van een heksenproces, of in de vorm van een aanslag. Elliot Rodger noemde zijn aanslag de ‘Dag van Vergelding’. En zoals de Malleus Maleficarum een voorbeeldtekst werd voor andere heksenjagers, zo is ‘supreme gentleman’ Elliot Rodger een icoon geworden voor andere eenzame, verbitterde jongemannen.

     Is het toevallig dat vrouwen zich opnieuw aangetrokken voelen tot het beeld van de heks? Eeuwenlang vertegenwoordigde de heks het doembeeld van een ongehoorzame vrouw, nu gebruiken feministen haar als geuzennaam. ‘We are the witches,’ schrijft Lindy West in haar boek The Witches Are Coming, ‘and we’re hunting you.’[7] We willen onze autonomie terug, niet langer machteloos staan tegenover wat ons overkomt. Niet de wereld die onze kamer binnen raast om ons bang te maken.

     ’s Avonds lig ik wakker. Ik hoor buiten geritsel en stel me voor dat twee mannen naderen die, toen ik in het bos was, de tarotkaarten hebben zien liggen, de stenen, het glas wijn, de paarse kaars en de boeken over hekserij. Ik stel me voor hoe ze het rieten dak van dit huisje in brand steken, of een ruit inslaan van de voordeur en naar de klink graaien. Ik bedenk wat ik zou zeggen: dat ze mijn spaargeld mogen hebben, dat ik morgenochtend direct kan vertrekken. Ik weet dat ik me druk maak om dingen die niet zullen gebeuren. Ik weet dat deze dingen al vaak gebeurd zijn.

 

Placebo’s en heksenkampen

Afgelopen najaar kreeg ik Metronidazol voorgeschreven door de huisarts, tegen een bacteriële infectie. De bijsluiter lees ik altijd nauwkeurig, hoewel ik niet kan autorijden, niet drink wanneer ik me ziek voel, en eigenlijk alleen maar bang word van de lange lijst aan mogelijke bijwerkingen die me te wachten staan. Nu las ik:

 

     ‘Wanneer u denkt dat u het verkeerde medicijn heeft gekregen, bang voor bijwerkingen bent of denkt dat de medicijnen, die u heeft gekregen, niet of niet voldoende helpen, kan dat uw      vertrouwen in de medicijnen ernstig ondermijnen. Voor een goed resultaat is het van groot belang dat u vertrouwen in uw medicijnen heeft.’[8]

 

Medicijnen, die zo onomstotelijk wetenschappelijk bewezen wérken, blijken hun kracht te kunnen verliezen als gebruikers niet in ze geloven.

     Harvard-onderzoeker Ted Kaptchuck raakte in de jaren negentig gefascineerd door het placebo-effect. Het verbaasde hem hoezeer collega’s daarop neerkeken: het effect onderzoeken gold als tijdverspilling. Terwijl het toch ontzettend veel mensen bleek te helpen. Zelfs als proefpersonen met rug-, buik- en hoofdpijn wísten dat ze een neppil kregen, rapporteerden ze na drie weken minder pijn.

 

‘Dokters haten dit. Zij denken dat alleen hun chemicaliën écht werken. Acupuncturisten haten mijn werk ook, zij willen kunnen zeggen dat het de naalden zijn. Kruidengenezers willen kunnen zeggen dat het de kruiden zijn. Ze hebben het allemaal verkeerd. Soms werken medicijnen, maar het placebo-effect is áltijd aanwezig, bij alle patiënten.’[9]

 

Sommige mensen slaan kruisjes, anderen wenden het onheil af door spreuken, weesgegroetjes, mantra’s of gebeden te prevelen, anderen weigeren op de rand van stoeptegels te lopen. Magie is een middel tegen machteloosheid: een kaarsje branden voor een zieke; een brief schrijven die we niet versturen; na een slechte dag een lange douche nemen; voorbarigheid afkloppen op ongelakt hout; samen met onze geliefde een hangslot aan een brug vastmaken; de voetbalsupporter die steeds op dezelfde plek op de bank naar de wedstrijd kijkt met een specifiek paar sokken aan. Magie is overal, en de heks ook, ze is niet alleen een sprookjesfiguur, een popicoon, een natuurgelovige en een Keltische druïde, ze is ook een Zambiaanse albino en een bierbrouwer uit de zestiende eeuw. De heks is een archetype met vele gezichten en gedaantes.

 

Een klein meisje in een roze t-shirt met #BootyCall erop gedrukt, loopt in haar eentje over een zandweg. Iemand wijst naar haar: ‘Jij bent een heks!’ In de daaropvolgende anderhalf uur toont de film I Am Not A Witch[10] het lot van vrouwen die in Zambia van hekserij worden beschuldigd. Een heksendokter test het meisje, onthoofdt een kip en kijkt welke kant het lichaam op rent. Het meisje moet, met haar speciale heksenkrachten, een crimineel uit een rij verdachten pikken, zodat hij kan worden gestraft. Ze zit, vastgebonden met een lang touw, op het zand in een heksenkamp, waar binnen- en buitenlandse toeristen selfies met haar nemen. Het is een zwaar verhaal, maar de film vertelt op droogkomische wijze een parabel over vrouwen die hun eigen vrijheid opeisen, en voor onmogelijke keuzes worden gesteld. Je bent een heks, en je moet kiezen: we binden je vast met een lint (zodat je niet weg kan vliegen) of je verandert in een geit.

     Die kampen blijken nog relatief vriendelijk vergeleken met de overige heksenvervolgingen in Afrika, Azië en Zuid-Amerika. Met enige regelmaat worden vrouwen, kinderen, albino’s en ouderen van hekserij beticht en verminkt of vermoord. De onderliggende oorzaken doen denken aan die van de Europese heksenvervolgingen tijdens de Renaissance: ook in deze streken wordt land ingenomen, door de staat en door bedrijven, ook hier is sprake van economische onzekerheid en honger, ook hier wordt het idee van de heks gebruikt om vrouwen onder de duim te houden. De heks is nog altijd een symbool van onderdrukking – en tegelijkertijd van de vrouw die probeert te ontsnappen aan die onderdrukking.

 

Baba Yaga en Dionysos

Diep in de bossen van Oost-Europa staat een huis op gigantische kippenpoten. Daar woont Baba Yaga. Ze houdt niet van andere mensen, dus wanneer die naderen, keert het huis ze de rug toe, staat op en loopt weg. Een vriendin vertelde me over deze heks, en hoe ze zichzelf in haar herkende. ‘Vroeger was ik misschien wel een beetje bang voor haar,’ zei ze, ‘maar laatst, toen ik de hele dag thuis had zitten schrijven, met mijn kat naast me, besefte ik ineens dat ik op haar lijk. En dat dat eigenlijk wel prima is.’

     Onze eerste kennismaking met de heks, is een ontmoeting met een kwaadaardig wezen, iemand om te vrezen. Toch werd ik als kind wakker gehouden door figuren die veel meer leken op echte gevaren: kinderlokkers, drijfzand, drugsspuiten in de bosjes en Michael Jackson (‘Dat is een rare man’, zei mijn moeder, en ik wist genoeg). De heks is hoeft deze duistere krachten niet te vrezen, omdat ze er zelf een is.

 

Aan de universiteit volgde ik een vak Theaterwetenschap. Terwijl de docent ons door Antigone van Sophokles gidste, ijsberend, met forse stemverheffingen en bezweet voorhoofd, week ze met regelmaat af van het curriculum om te vertellen over begeestering, de ware betekenis van inspiratie: door een andere geest te worden bezeten. Wij, achttienjarige brave kuikentjes, noteerden druk in onze schriften, maar dat stond haar niet aan: ‘Toen ik jullie leeftijd had,’ riep ze, ‘rende ik naakt met mijn studiegenoten door het bos, terwijl we met pollepels sloegen op pannen die we uit de jeugdherberg hadden gestolen! Dát was Dionysos!’

     Wat als God geen werkelijk bestaande almachtige wolkenfiguur is, maar een metafoor die sterk genoeg is om de werkelijkheid te beïnvloeden? Een van vele personages met wie je kunt praten, en die je zelfs kunt belichamen. De Goden kunnen Grieks zijn, Hindoestaans, Germaans, of simpelweg de Geest uit Aladdin. De enige voorwaarde is dat ze leven voor jou. Dat je ze kunt dienen. Jezelf aan ze over kunt geven.

 

Ik was mezelf uitgebreid, en pak dan de halve citroen, die ik met zout heb bestrooid. Ik knijp hem over mezelf uit, en scrub mijn romp en armen met het zout. Na het afspoelen dep ik mezelf met rozenwater. Ik heb een playlist gemaakt met liedjes voor Aphrodite. Zodra de muziek speelt, begin ik te dansen en te zingen. Zeven liedjes lang spring ik door de kamer, twerk, rol over de grond, draai rondjes tot ik bijna omval. Ik roep de godin op door haar te zijn. Ik drink het rozenwater op het altaar, neem een hap van de appel, declameer met luide stem liefdesgedichten en schrijf een brief aan haar. Nog voor ik hem heb begraven, vergeet ik wat erin staat. Ik vergeet mezelf. Ik word iemand anders.

     Als iemand me nu van de andere kant van het bos zou zien, wat zouden diegene dan denken? Ik maai met mijn armen, spring op en neer en stop alleen om af en toe een slok te nemen van een gelige vloeistof uit een hoog champagneglas. Ik kniel voor een tafeltje, prevel iets met mijn hoofd gebogen, en steek het papiertje met mijn zegel in brand. Ik kijk in de vlammen en glimlach.

 

[1] ‘Watch Witches Cast a Spell at Trump Tower’, Time Video, 27 februari 2017 https://time.com/4683033/protesters-cast-spell-trump-tower/.
[2] Jason Mankey, ‘Magick, Witchcraft, & Politics (Oh No!, Oh Yes!)’ https://www.patheos.com/blogs/panmankey/2018/11/paganism-politics-witchcraft/
[3] Silvia Federici, Witches, Witch-Hunting, and Women (2018), p. 40
[4] Grant Morrison, ‘Pop Magic!’ in Pastelegram (2014) http://pastelegram.org/e/127
[5] Laurie Penny, ‘Witch Kids of Instagram’ in The Baffler (2017) https://thebaffler.com/war-of-nerves/witch-kids-of-instagram
[6] Heinrich Kramer, Malleus Maleficarum (1487) )[2015], ‘vraag VI: Over de vrouwen die zich aan demonen onderwerpen’ p. 111.
[7] Lindy West, The Witches Are Coming (2019), p. 42
[8] Gezondheidsnet.nl Flagyl metronidazol
[9] Anouk Broersma, de Volkskrant, ‘Placebo-effect werkt, zelfs als mensen weten dat ze neppillen slikken’, 26 oktober 2016.
[10] Rungano Nyoni, I Am Not A Witch (2017).


Dit essay kwam tot stand binnen het project Eenzame Avonturen en wordt ook gepubliceerd in Hollands Maandblad.

© Gaby Jongenelen

Nikki Dekker

Nikki Dekker (1989) is schrijver en radiomaker. Ze publiceert regelmatig in tijdschriften zoals De Gids en Brainwash. In 2016 ging ze mee op schrijfresidentie met deBuren, waar ze de reeks gedichten Voorspelbare levens in een voorspelbare buurt schreef. Haar eerste lange radiodocumentaire, De oppas en ik, werd genomineerd voor de Prix Europa en haar podcastreeks Iets doen, hoe doe je dat? kreeg vier sterren in NRC en De Morgen. In november 2018 verscheen bij Wintertuin Uitgeverij haar chapbook een voorwerp dat nog leeft, een bundeling essays en gedichten over de systemen waarin wij allen vastzitten en hoe je daaruit kunt breken. Ze maakt deel uit van het talentontwikkelingstraject Eenzame Avonturen en werd in 2019 geselecteerd voor het vierjarige internationale traject CELA.  Haar meest recente radiodocu, Andreas Burnier, of hoe je op een klein vlot blijft drijven, de documentaire die ze maakte over geschiedschrijving, seksisme en de literaire canon, is sinds maart 2020 te beluisteren.

Vertel het verder: