Deze website wordt niet langer ondersteund in Internet Explorer. Update hier je browser voor een betere ervaring.

Besmette Stad | Esther De Soomer

Esther De Soomer geeft met 'Großbeeren' een artistiek antwoord op 'De Aftocht' uit Paul van Ostaijens bundel Bezette Stad.
Door Esther De Soomer op 1 sep 2021
Tekst
Literatuur & taal
Besmette Stad

           

GROßBEEREN

 

Ik zat achter glas en keek naar het tafereel dat zich buiten afspeelde en dat hoofdzakelijk uit bestelwagens bestond. Even overwoog ik om ze te turven op het lege blad dat op het tafeltje verderop lag, bedoeld om invallen te noteren die het bewaren waard zijn. Maar een inval had ik nog nooit gehad en er was geen reden om aan te nemen dat er nu wel iets van betekenis vast te leggen viel. Er waren grafieken genoeg, tot meer begrip had het niet geleid.

Even verderop vatte een auto een tergend traag parkeermanoeuvre aan. Achter hem toeterde een bestelwagen ongeduldig. Iedereen moest ergens zijn. Voortdurend moesten er dingen ergens heen gebracht, moesten er afstanden overbrugd worden. Uiteindelijk was alles logistiek. Heel het leven: een verlangen naar iets anders, naar elders.

Ik had zelf lange tijd met het idee gespeeld om naar Duitsland te verhuizen. Ik had er Martin leren kennen, een man die begrippen als Veränderungspotential en Sehnsucht moeiteloos naast elkaar gebruikte en die beloftes maakte over een nieuw en ander leven. De beloftes werden nooit ingelost. Ondertussen vermeed ik het er nog aan te denken.

Waar ik wel aan dacht: hoeveel pakjes passen er in een bestelwagen? Hoeveel in een container? Hoeveel containers passen op een schip? Hoeveel schepen varen door het Suezkanaal? En houdt alles op als zo’n schip vastloopt? Middelmatige gedachten. Niets wat ik als inval kon noteren, want er was al eens een schip vast komen te zitten in het Suezkanaal, ongeveer op het moment dat de afstand tussen Martin en mij onoverbrugbaar werd, en dat had niets aan de loop van de geschiedenis veranderd. Nochtans was de wereld toen in de greep van een crisis en het denken werd beheerst door de groeiende overtuiging dat we een cesuur moesten maken en alles anders gingen doen. Alle holle beloftes over vooruitgang en beterschap werden nadien met spoed vergeten.

Een bestelwagen stopte voor mijn gebouw. Ik keek de pakjesbezorger na, hoe hij de motor liet draaien terwijl hij uit de bestelwagen stapte, het portier dichtsloeg en de achterdeur opende, zodat ik de vaalbruine pakjes in de laadruimte kon zien liggen. Hij nam er eentje uit en liet de deur openstaan terwijl hij de straat overstak. 

De bel ging. Ik schrok. Het moet een vergissing zijn, dacht ik, terwijl ik naar de pakjes in de laadruimte keek, naar de zwarte gassen die vanuit de uitlaatpijp de lucht in wolkten. Het kon niet voor mij zijn, want ik verwachtte niets meer, al zo’n zeven maanden ondertussen, sinds was gebleken dat alle intenties tijdens de crisis niets meer dan lege dozen waren. Toen had ik zelf maar een cesuur gemaakt. Ik had me voorgenomen naar geen anders of elders meer te verlangen, behalve dan naar een onvoorwaardelijke leegte, naar het soort smetteloze niets van een vers sneeuwtapijt waarin sporen maken onbetamelijk lijkt. Ik had mijn bestaan van elk verlangen geledigd door dadenloos post te vatten achter mijn raam, Martin uit mijn hoofd te bannen, geen berichten of nieuws meer te lezen en niet meer deel te nemen aan de dingen, ook als me met enige nadruk op het hart werd gedrukt dat het weer mocht.

Ondanks mijn cesuur ging de bel nog eens. En ondanks mezelf en al mijn voornemens stond ik even later beneden en opende ik de deur.

Hier tekenen, zei de pakjesbezorger. Hij drukte me een plastic staafje en een terminal met een schermpje in de hand.

Maar ik heb niets besteld, zei ik.

Hij haalde zijn schouders op. Ik krabbelde mijn handtekening met het staafje op de display, die niets scheen te registreren.

Het werkt niet, zei ik, met een blik op het lege schermpje.

Dat is niet erg, zei de pakjesbezorger. Hij overhandigde me de doos en keerde zonder groeten terug naar zijn voertuig.

Op het pakje stond mijn naam. Bij de afzender een adres uit Duitsland. Terwijl ik de trap terug opliep naar mijn appartement schudde ik met de doos. Er leek iets te ritselen. Misschien was er iemand die mij wilde bereiken? Iemand die aan me dacht? Vaag ontwaakte er iets in mij, alsof ik toch nog iets verwachtte. Een smetteloos wit tapijt. Ik riep mezelf tot de orde. Ik dacht aan alle gezwollen voornemens van tijdens de crisis, aan de lege woorden van Martin en aan de vrouw die hem allerlei waaghalzerige samenzweringstheorieën voorschotelde waardoor hij haar uiteindelijk interessanter vond dan mij. Aan het gevoel dat me nog altijd soms overviel: alsof ik alle veldslagen verloren had. Iets als Waterloo, maar dan in het klein.

In het pakje zaten van die piepschuimvormpjes om fragiele objecten te beschermen tijdens het transport. Verder niets. Ik staarde een tijdje naar de inhoud van de doos en trachtte te achterhalen wat het betekende. Ik liet mijn ogen over het adres van de afzender glijden: Großbeeren.

 

Daarna bleven de leveringen komen. Er zat geen enkele regelmaat in. Soms kreeg ik twee pakjes per week, soms zaten er drie weken tussen. Als ik door het raam zag hoe de bestelwagens bij het uitvoeren van hun gps-gestuurde choreografieën stopten voor mijn gebouw, werd ik bevangen door onrust. Ik volgde de bewegingen van de pakjesbezorger, hoe hij de motor liet lopen, het portier dichtsloeg, naar de achterdeur ging, het soort geregisseerde handelingen waarmee mensen hun eeuwige dwalen een structuur trachten te geven, ik zag de walm van de uitlaatpijp, de openstaande deur en de pakjes in het laadruim, en prevelde de bode toe dat hij de doos terug moest leggen, in zijn wagen moest stappen en weg moest scheuren, ver weg, oostwaarts, richting opgaande zon, want wat voor een bestaan was dat nu, dat sjouwen met nietszeggende leveringen naar ondankbare mensen. Dan de bel en zijn onverschilligheid als hij mij liet tekenen op die immer kapotte terminal en het pakje uit Großbeeren, dat opnieuw met piepschuim gevuld zou zijn; dat kon ik telkens afleiden door het ontbrekende gewicht.

De leveringen joegen me angst aan. Ik wist niet hoeveel piepschuim ik nog kon verdragen. Op den duur dacht ik aan niets anders meer. Ik stelde me de fabrieken voor waarin de piepschuimvormpjes gemaakt werden. De magazijnen, tot de nok gevuld met dozen vol piepschuim. De vorkheftrucks die de dozen in containers stapelden, de kranen die ze op containerschepen laadden. De schipbreuk die ooit zou voorvallen en dan het piepschuim dat de rivieren verstopte, de baaien, het Suezkanaal. De witte vormpjes die aan land spoelden, mee met het stijgende getij. Een dijk van piepschuim. Al die zinloze opvulling. Er was geen ontkomen aan.

Bij elk pakje groeide mijn paniek. Om de grenzen van mijn teruggetrokken leven te bewaken, besloot ik geen nieuwe leveringen te aanvaarden. Een aantal pakjes kwam terecht op het postkantoor, waar ik ze niet ophaalde. Maar de negende levering nam mijn buurvrouw voor mij in ontvangst. Ze overhandigde me de doos met onaangename nadrukkelijkheid toen ik haar verdieping passeerde na het wegbrengen van het leeggoed. Het was alsof ze me had staan opwachten. Martin had me eens verteld dat postbodes werden ingezet om na te gaan of mensen die thuis niets zitten te doen voor dat nietsdoen ook werkelijk thuis zijn gebleven. Het precariaat controleert het profitariaat. Ik had weinig reden om aan te nemen dat er intussen iets veranderd zou zijn, of dat buurvrouwen niet mee in het complot zouden zitten.

Nadat mijn buurvrouw me onderschept had, schakelde ik voor de eerste keer in maanden mijn telefoon in. Ik tikte het adres van de pakjes over in de zoekbalk. Großbeeren. Een klein stadje in het leeglopende Brandenburg, op een steenworp van Berlijn. Op het huisnummer van de afzender waren verschillende bedrijven gevestigd: Spedition, Logistik, Transport.

Ik stelde een mail op naar alle drie de bedrijven met de vraag waarom ze mij piepschuim opstuurden en of ze daar in de toekomst mee wilden ophouden.

Het lukte me niet om, zoals ik mezelf beloofd had, de binnengekomen e-mails te negeren. Ik had drieënvijftig ongelezen berichten. Het ging voornamelijk om nieuwsbrieven. Verder acht mails met de melding dat de dag voordien een pakje geleverd was, of dat er een pakje op me wachtte bij het postkantoor. Ten slotte een automatisch antwoord dat net binnengekomen was, van een van de bedrijven uit Großbeeren: Standardversand leicht gemacht! Ihr Anliegen ist uns wichtig. Wir bearbeiten Ihre Anfrage innerhalb von fünf Arbeitstagen.

Geen enkele mail van Martin. Misschien opende ik daarom Facebook, ondanks mijn voornemens. Ik scrollde wat door mijn feed, die nog steeds bestond uit dezelfde lege beloftes als voorheen: de bronstige zomer met zijn gouden randje, de zinderende feesten, de grenzen die dringend overgestoken moesten worden. Naar Duitsland? Ik zag de laatste berichten die ik had gestuurd, maanden geleden, en waarop Martin niet geantwoord had.

Er bestond een Facebookgroep van Großbeeren. Mijn verzoek om lid te worden werd binnen het uur ingewilligd. Er waren die dag twee berichten gepost:

Wir suchen dich! 450 Euro-Hilfskraft.

Rathaus aktuell für Publikumsverkehr geschlossen. Termine ausschließlich nach Terminvereinbarung.

Ik tikte een berichtje over de lege pakjes. Binnen het uur kreeg ik een like, een knuffel, de opmerking Sie sind wohl nicht von hier oder?, met een link naar Umschlagbahnhof Großbeeren, wat een grootschalig goederenstation bleek te zijn, en een privébericht.

Robert: Hübsches Bild, wie wär’s mit einem Kaffee?

Die man wou me ontmoeten? Ik schrok, legde mijn telefoon weg, ging een tijdje aan het raam zitten, waar ik zenuwachtig werd van het onophoudelijke heen en weer van bestelwagens en besloot ten slotte om de dozen, die ik al die tijd bewaard had en wat slordig in een hoek van de kamer had gedropt, tegen de muur te stapelen. Had Martin niet beweerd dat we nieuwe vormen moesten vinden? Maar kijk, de pakjes hadden nog steeds dezelfde afmetingen als tijdens de crisis, wat me goed uitkwam, omdat dat het stapelen vergemakkelijkte.

De onrust bleef. Ik pikte mijn telefoon weer op en schreef een bericht naar Robert, waarin ik hem vertelde dat ik ongevraagd pakjes ontving uit Großbeeren.

Was ist denn drin?, vroeg hij.

Nichts, zei ik.

Nichts?

Nur Styropor.

So’n Quatsch. – Lachend gezichtje.

Robert vertelde me dat hij na de Wende jaren werkloos was geweest, het land had zien leeglopen, en sinds enkele jaren als onderaannemer, vaker nog onderonderaannemer pakjes rondbracht. Dat hij al vanalles vervoerd had. Aber mit Styroporpaketen herumbrettern, das ist mir auch neu.

Hij beklaagde zich dat de lonen in de verregaand geprivatiseerde postsector slecht waren, dat collega’s van hem in hun bestelwagens sliepen, en hij vertelde me terloops dat het Napoleon was die van de post een openbare dienst had gemaakt. Vanaf dan gold overal in het land één tarief. Standardversand.

Bei Großbeeren wurde Napoleons Armee geschlagen! – Emoji van een spierbal.

Ik wist van Waterloo, maar de veldslag bij Großbeeren zei me niets.

Ein historischer Ort!!, schreef Robert. Lohnt sich. Komm doch mal vorbei. Es darf ja wieder alles.

Als antwoord stuurde ik hem mijn adres, in de hoop eens iets anders te ontvangen dan piepschuim.

 

Daarna kwam de pakjesbezorger niet meer. Geen zendingen met piepschuim, geen pakje van Robert. Ik zat aan het raam, keek naar buiten, waar de ontgoocheling lonkte van bestelwagens die niet voor mijn gebouw stopten, maar hun motoren lieten draaien voor de voordeuren van de buren, met honende rooksignalen uit hun uitlaatpijpen. Een innerlijke leegte maakte zich van me meester.

Robert liet niets meer van zich horen. Van een van de bedrijven die ik gemaild had ontving ik de nogal dwingende opvordering om mein Anliegen über die Online-Kundenzone zu bearbeiten. De andere twee deden er het zwijgen toe. In de Facebookgroep van Großbeeren was de sfeer grimmig. Het Siegesfest, de jaarlijkse herdenking aan de slag tegen Napoleon, was voor het tweede jaar op rij afgelast. Het druppelde wat smalende commentaren (Soviel ist Geschichte unserer Gesellschaft noch wert. – Traurig. – Ich sag mal so: alles dichtmachen!). Ik stelde me voor hoe leeg het bestaan van mensen moest zijn die jaarlijks hun hart ophalen aan het zich verkleden in historische kostuums om in een veld nabij hun woonst een veldslag na te spelen waar ze niet bij waren, geen verdienste aan hadden en die de loop der dingen nauwelijks had veranderd. En toch verlangde iets in mij ernaar om deel uit te maken van de feestelijkheden.

Ik legde mijn telefoon weg. Buiten reed een bestelwagen voorbij. Er stopte niemand aan mijn deur. Ik stond op, ging naar de stapel dozen in de hoek van de kamer en opende ze. De piepschuimvormpjes stortte ik uit over de vloer. Ze glansden bleek in het licht van de lamp. Een wit tapijt. Ik liet me erin vallen. Het knarste onaangenaam. Ik wreef sporen in het wit, rolde door het beschermingsmateriaal, bedekte me ermee. Alles bleef zoals het was. De leegte in mij dijde verder uit.

 

Is het die leegte die me de straat op heeft gejaagd? Ik hang wat rond voor de huizen van de buren, speur de routes van de bestelwagens na. Rondom mij snellen mensen voorbij, haastig, ze moeten ergens zijn, altijd op weg. Alles is zoals vroeger. Toch denkt iets in mij dat al die mensen, net als ik, pas zijn ontwaakt uit een diepe afzondering. Dat ze net als ik voor het eerst beseffen dat elke cesuur die je uitroept niet meer dan kunstmatig is. Voortdurend denken we aan het einde te zijn. Willen we ofwel het ultieme beleven, of de apocalyps. En dan blijkt dat alles gewoon verdergaat.

Het duurt niet lang voor er een bestelwagen vertraagt voor het gebouw twee huisnummers naast het mijne. Ik weet wat nu komt: het stoppen, uitstappen, de snelle passen naar het laadruim, het pakje, de weg naar de deur van de gelukkige ontvanger. Ondertussen de pruttelende motor, de ontsnappende uitlaatgassen. Nu ik het tafereel voor het eerst niet achter glas bekijk, kan ik de diesel ruiken.

Zodra de pakjesbezorger oversteekt, zet ik me in beweging. Ik moet me haasten. Het lijkt een licht pak te zijn, zoals hij het met een hand losjes vasthoudt. Ik ren naar de bestelwagen, open het portier aan de chauffeurszijde, stap in, maak de handrem los en duw op het gaspedaal. Ik ben vervuld van iets, misschien Robert of Martin, of gewoon het vooruitzicht weg te gaan. Uiteindelijk is alles een poging om de afstand te overbruggen. Logistiek.

Er zit geen raampje tussen de chauffeursstoel en de laadruimte. Ik zie niet hoe de pakjes uit de openstaande bestelwagen vallen en het voertuig zich tijdens de verplaatsing ledigt. Ik duw het gaspedaal dieper in. Ik weet de weg, het is het laatste wat ik opgezocht heb voordat ik mijn telefoon weer uitschakelde. De route heb ik overgeschreven op het lege blad dat ik klaar had liggen voor invallen, het papier zit opgevouwen in mijn achterzak. Het is 750 kilometer oostwaarts naar Großbeeren.

 

© Tom Ruette

Esther De Soomer

Esther De Soomer (1986) schrijft proza in het Nederlands en het Duits. Ze publiceerde in (literaire) tijdschriften zoals De Gids, Kluger Hans, De Groene Amsterdammer en Sprache im technischen Zeitalter. In 2017 nam ze deel aan de Parijsresidentie van deBuren, in 2018 aan de Autorenwerkstatt Prosa van het Literarisches Colloquium Berlin. In 2019 was ze genomineerd voor de Anil Ramdas Essayprijs.

Vertel het verder: