Waarom Sirène niet in Winnipeg kon blijven (4/4)

Geschreven door Saskia de Coster op 19 maart 2010

Mijn twee redenen om in Winnipeg te blijven zijn het hogerop gaan zoeken. Ik moet volgen. Ik stap in de richting van de pakhuizen en de spoorweg van Winnipeg waar een eeuw geleden duizenden goederen in en uit rolden. Dat was Winnipeg: kloppend hart, opslagplaats en doorgeefluik voor het Noordamerikaanse continent.  Maar zodra het Panamakanaal gegraven was, werd de Poort naar het Westen achtergelaten. Ze kon stikken en verzuipen in haar meren, prairies, wouden en spoorwegen. Niemand keek nog om naar de afgeschreven lelijke specht  Winnipeg in het bejaardentehuis Noord-Amerika. Iedereen vertrok. Enkel de harde winters en de arme mensen bleven.

Maar Winnipeg liet zich niet zomaar negeren. De stad begon opnieuw. Dit keer als een lege stad. De straten waren verlaten en hadden geen namen meer. Handenvol Europeanen, Oekraïners en Ijslanders werden aangevoerd van overzee. Ze hadden vrouwen nodig, matrones die hen aan land hielden, Eva’s die doorheen de zure appel beten. De straten kregen de namen van het sterke geslacht: Ellen, Isabel, Lydia, Juno, Harriet, Mary. En de vrouwen kregen kinderen, een mix tussen de inheemse mensen en Europeanen.

En die kinderen kregen mixkinderen.

En die mixkinderen mixten erop los.

En die gemixte mixkinderen vergeten hun verleden, hun mythische figuren, hun muffins en hun hertstamppot. Dat heeft mijn grootmoeder van Sirène geleerd. ‘Mensen zonder geschiedenis die leven maar half.’ En na haar gemoraliseer legt ze me meestal een raadseltje voor om te tonen hoe frivool ze ook kan zijn. ‘Hoe weet je of Winnipeggers nog leven?’ vroeg ze mij eens schalks. Ik zei iets over slapende donseenden waar je met je vork in moest prikken. ‘Rook,’ blafte ze tussen twee trekjes van haar stiekeme avondsigaret. ‘Het enige teken van leven in Winnipeg is rook.’ Sirène had haar dat verteld.

Gaan de temperaturen omlaag, dan gaat de sigarettenrook omhoog. De mensen kruipen in hun schuilplaatsen met een asbakje troost. Ook uit de schoorstenen komen warme wolken die hartjes vormen. Post-coïtale sigaretten. Er wordt liefde gestookt, en onder de lakens sneuvelen records.

Winnipeg heeft zijn eigen winterspelen met zijn eigen triomfen, topscores en glansprestaties. Nieuwe mensjes worden gemaakt en door de winter gedragen, in bevroren vruchtwater in de buiken van jonge vrouwen. Negen maanden later weerklinkt in alle bevallingskamers van Winnipeg het geklater van ijsklontjes en vrolijk gekrijs.

De trein naar Churchill is geladen met natives uit de reservaten, twee grote zwarte honden, een zak aardappelen, en de zus van Björk die ijle liederen over de toendra door de wagon laat schallen. Naast mij zit een man vastgelijmd: het is de veertiende keer dat hij de 3600 kilometerlange reis naar Churchill onderneemt. Grijnzend luistert hij op zijn walkietalkie naar het vloekende treinpersoneel. Na een halfuurtje komt de trein een eerste keer tot stilstand. Een mannetje klimt uit de locomotief met een koevoet en wrikt de treinrails los uit de bevroren ondergrond. Het is een ritueel dat zich nog vele malen zal herhalen.

Na twee dagen naar de sneeuw kijken ben ik voor het eerst sinds mijn geboorte volledig zen. Ik ben mezelf helemaal kwijtgeraakt in het landschap dat voorbij tsjokt. Klein Duimpje zou hier een hondje nodig hebben om de weg terug te vinden. Eentje dat heel veel sneeuw eet en dan zijn druppeltjes verspreidt, één na één. De enige markering in de witte sneeuw is de gele pipi van de husky’s.

Ik reis in het spoor van Sirène. Ik had moeten weten dat Sirène terug zou keren naar de geboortegrond van haar grote liefdes, haar vijf kinderen en haar panoramarestaurant zonder gasten. Maar vooral: naar de rustplaats van de man die haar iedere dag opnieuw toonde dat zij zijn uitverkorene was. Haar hart heeft ze samen met dat van hem achtergelaten in de permafrost van het Noorden.

Op weg naar Churchill dunnen de bomen langzaam uit. Ter plaatse nemen de mensen het volledig van de bomen over en staan ze in weer en wind te waaien. ‘Per jaar in Churchill komen er twee kilo jaarringen bij,’ vertrouwt Kayellen mij toe die nu haar vijftiende jaar in Churchill uitwaggelt. Op haar hoofd zit een uil. De uilen hebben bij gebrek aan bomen enkel de hoofden van mensen om in te wonen. De andere vogels trekken in de winter naar het Benidorm van hun dromen en de ijsberen slapen op het ijs en dromen van de nieuwe vette zeehonden die binnenkort zullen worden geboren.

Kayellen is in alle staten want er zijn maar liefst twee nieuwe bewoners bijgekomen in één maand tijd. Dat is in Churchill nog nooit gebeurd. Ze wijst naar een oud mannetje dat sneeuw ruimt voor het leegstaande restaurant dat van Sirène geweest moet zijn. ‘En er is ook een vrouw met sneeuwwitte haren bijgekomen,’ tatert ze opgewonden, ‘die sinds haar komst hier niets anders doet dan muffins bakken. De lekkerste muffins die je op deze ijskoude planeet kan vinden. Als ze haar muffins uit de oven schuift, komen zelfs de ijsberen bedelen.’

Ik stap naar het oude restaurant om Sirène te zoeken. De deur staat open. Binnen is het – 25 °c. In haar naakte zeemeerminnenpak komt Lexi mij tegemoet. Ze omhelst mij en neemt me mee naar de keuken. Daar staat Sirène met haar handen diep in het muffindeeg. Haar man staat naast haar. Hij legt zijn hoofd op haar schouder en met zijn vinger steelt hij een likje deeg. Ik wil op hen toelopen en hen alles over mijn zoektocht vertellen, hen zeggen dat mijn grootmoeder elke dag aan haar verre familie denkt, maar Lexi houdt me tegen. ‘Het is voorbij,’ zegt ze, ‘je zoektocht is over. Je hebt gevonden wat je zocht.’

Lexi neemt me mee naar buiten. Er staat een sneeuwscooter klaar. ‘Kom, hou je vast.’ Samen schuren we door de sneeuw naar de diepvriesoceaan. Steeds verder en verder gaan we, tot aan het einde van de wereld.

Reacties

jan haerynck

re: Waarom Sirène niet in Winnipeg kon blijven (4/4)

Door jan haerynck 20/03/10 (4 jaren geleden)

Heel bijzonder!