'Breekwerf' door Geert van Istendael

Geschreven door Geert van Istendael op 17 maart 2017


In het kader van de televisiereeks Made in Europe organiseert deBuren een verdiepend podiumprogramma. De vijfde avond in de reeks focuste op de duistere kant van Brussel.

Geert Van Istendael droeg die avond op onnavolgbare wijze een lang gedicht voor over dystopisch Brussel. U kunt het gedicht 'Breekwerf' nu hier lezen. Binnenkort verschijnt ook de opname van de voordracht online.

Breekwerf

Breek, stad, breek,
nee, breek niet uit in jubelzangen,
vermaledijd verdoem de klaagzang ook,
ban klaagzang uit voorgoed,
vermorzel klaagzang in uw brakke ondergrond.
Breek, stad, breek uit
in vloeken zwart als onweersluchten,
laat godslasteringen donderen
tegen de brokkelige wallen van uw straten op,
laat schennis neerstorten op al uw trotse torens.


De straten, de straten, dodende straten,

hun ogen kijken kijken ons aan,
waar wij ook lopen waar wij ook gaan.


Waar ik ook ben nu, ik kijk je aan, ik
verschoppeling Joeri, weggeschopt in de lente,
mijn beurs gebonkte, gezwollen, zwarte, blauwe ogen
kijken je aan.


Kraak, stad, kraak
in al uw nameloze voegen,
klets neer de zure regen van uw imprecaties
in honderdduizend striemen van
uw honderdduizend aangespoelde talen.
Laat al uw allerhoogste wolken
inktzwart als het vergif waarmee de dichters schrijven,
laat al uw volgestouwde wolken breken,
laat wegrukken uw blauwe klonters steen,
onkennelijk versleten en vermorzeld.

Jij, Fiona, teloor gelopen in Brussel, veel te jonge, fee, die danste en minde in Brusselse straten,
waar ben je heen?
Wij horen uit Keltische schemer een harp en een stem,
jouw stem die ons groet in de verte


Breek, Brussel, breek,
breek nu de ruggen van
uw makke machtswellustelingen,
breek, breek
de kromme poten van hun gouden zetels.


En tot de heupen in de slijkstroom van uw puin
zullen wij waggelend op stenen benen waden
naar steden achter bliksems aan de kimmen,
tastend naar, tevergeefs tastend naar,
de flarden van een ruw verminkte droom.

Waar ik ook ben nu, ik keer terug naar de stoep,
zegt Michel, de sloeber,
ineengezakt aan het eind van de winter,
naar de stoep waar het einde mij wacht.


Breek, Brussel, breek,
ruk stukken uit uw hel,
laat één groot vuur uitbreken,
rook al het vuns in al uw krochten uit,
het zilver van de as uw oorlogsbuit.


Mijn stad, mijn afbraak, neerbraak, braaksel,
breek op uw straten, lanen, tunnels, voetgangersgebieden,
rijt open, kots ze uit, laat heel de wereld zien
de naakte schande van uw magerte,
laat tussen uw verkoolde resten,
verwaaid, besmeurd papier, gebarsten schermen,
hondenstront, bierblikjes, bedelaars,
gescheurde zakken uit de supermarkten,
laat in dit koninkrijk van uw vernederingen
een grasgroen struikgewas de kop opsteken,
verweesd, verward, als al uw kleine zielen,
doornig als wrok en gele nijd en toorn,
laat op dat groen robijnrood bloemen schieten,
prachtig als het schuimen van gedachten
die jonge meisjes ruiken voor het slapengaan,
scharlaken, jadegroen, de bleke wortels
hun sappen slurpend uit uw vuilnisbelten.

Breek, Brussel, breek,
uw water uit de grond,
breek al uw water los uit graf van stank,
al uw verborgen, weggemoffeld water
onder uw diepste kelder, laagst verlies,
uw water, schaamte, smaad, verstoting, drek.


Breek uit vergeetput, water, overspoel
heel het vijandig huis dat Brussel heet
vloei uit, zoen slurpend oppervlaktewater
in vaarten, vijvers, plassen en fonteinen.
Breek het geheugen open van de stad,
verbannen en begraven water breek,
laat al uw zwerfvuil zien aan al uw dalen,
uw dalen achter ijzeren kerkerdeuren,
uw dalen treurend als gebroken zerken.


Dal van de Ransvoort waar de vijvers zwart zijn.
Dal van de Maalbeek waar de hersens hard zijn.


Door Maalbeeks ondergrond is bloed gevloeid,
een infernaal mirakel barstte open,
hoor Beëlzebub, hoor Lucifer, hoor Satan,
hoor hoe zij schateren bij kadaver Brussel.


Wie op de paal van zijn geloof klimt weet
dat elke andere god ondenkbaar is
of Satan heet. Hij lacht, want het is goed,
hij ziet een beekvallei vol heidens bloed.


Waar ik ook ben nu, ik kijk je aan,
zegt zwerver Philippe, in de afgrond gekanteld.
De metro vertrekt, mensen staan op het perron,
ik verdwijn. Door het raam van de trein
kijk ik je aan, nog even.


Dwaalster Mohammed, jij viel en jij viel,
jij moest vallen, wilde vallen,
jij viel voor altijd, tot dicht bij je kind, je miste het zo.
Maar je viel op straat
en de straten zijn hard, hier in Brussel.


In de vallei waar ooit de Ransvoort vloeide,
waar werkers ernst tot bronzen helden goten,
smeedt heet geloof nu wapens van de haat,
geduld als zand wacht op het grote sterven,
de doodsreutel van de ongelovigen.


Jij, Loubna, jij bent niet ongelovig,
jij bent een mooie jonge vrouw,
ik ben een oude man,
jij moeder van drie kinderen,
ik opa, kleinkinderen, drie.
Jij bent de kampioene van de gymnastiek,
hup één twee drie hup één twee drie!
Ik schrijf wat, speel het liefst oude muziek,
Jij bent ... jij was was was,
jij wás verdomme wás.


Een dag als duizend andere.
Ik neem de metro als altijd,
Merode - Schuman - Maalbeek enzovoort,
stap in de trein,
drie steden verder stap ik uit,
de zon van maart schijnt,
in de lucht de lente.
Diezelfde dag, een dag als duizend andere,
neem jij de metro als altijd,
jij rijdt naar Maalbeek enzovoort.

Diezelfde dag nam jij dezelfde lijn als ik,
vijftien minuten later.
Ons scheidde één kwartier.
En nu,
jij, jonge moeder, mooie vrouw,
jij was.
Ik, oude man,
ik ben.
Ons scheidt de eeuwigheid.
Dat is het grote kwaad.


Ik bel mijn kleinzoon, hij is jarig, elf.
Jouw kinderen vragen: "Waar blijft mama, papa?"
Dat is in deze stad het grote kwaad.
De deuren van de hel staan open,
het kwaad verscheurt de ondergrond,
het kwaad dat nooit meer over gaat.
Jij bent er niet.
Het hellegat gaapt in mijn stad,
want jij,
jij bent er niet.


Jij, jonge moeder, mooie vrouw, jij, lerares,
jij wist niet wie ik ben, ik wist niet wie jij was.
maar samen waren wij,
jij, Brusseles, ik, Brusselaar,
met meer dan één miljoen,
het volk van deze stad.
De muren hebben schurft,
de talen spuwen gal,
maar dit is onze stad, haar straten, pleinen,
haar huizen, scholen, winkels, metrolijnen.

Moeders van Brussel, vaders hier,
en kinderen, ja, vooral, jullie, kinderen,
die lachen, spelen, huilen, niet begrijpen,
zoals wij allen graven naar begrijpen,
vergeet in razernij en angst en groot verdriet,
vergeet haar niet, vergeet toch Loubna niet.


Breek, Brussel, breek
uw zeven heuvels open.
Breek, Brussel, breek
de zware poorten open van uw dalen,
laat uw verhalen los uit al uw talen,
ze tollen rond, verzuipen haast, ze proesten,
sleur uw verhalen mee naar al uw knoesten
en laat uw rotte kaken ze vermalen.


Brussel is Europa's restafval.
Brussel Europa's sluikstort, bagger, brij.
Duizenden meeuwen cirkelen door zijn smook,
duizenden meeuwen breken uit in krijsen,
duizenden meeuwen vreten aan zijn wonden,
duizenden meeuwen vliegen op, verdwijnen.
Wie, Brussel, wie
heeft al uw wonden ooit verbonden?



Door Geert van Istendael
Brussel, maart 2017